Besluit van de Vlaamse Regering
24 okt. 2025· Belgisch Staatsblad 27 nov. 2025· numac 2025008678Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage
Officiële tekst in de Vlaamse CodexArtikel Verslag aan de Vlaamse Regering
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING
Betreft: Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage
1 ALGEMEEN
Voorliggend ontwerp van besluit Vlaamse Regering geeft invulling aan de vereiste delegatiebepalingen van de nieuwe titel IV van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) zoals ingevoerd met het decreet van 17 mei 2024 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en diverse andere decreten, wat betreft de milieueffectrapportage (verder het “m.e.r. decreet van 17 mei 2024”). Dit decreet vat meerdere krachtlijnen zoals ook door de Vlaamse Regering op 11 februari 2022 bevestigd in de conceptnota ‘modernisering milieueffectrapportage’ in uitvoering van het Vlaams regeerakkoord. Het ontwerp van besluit stelt het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 uitvoerbaar en geeft invulling aan voornoemde conceptnota van de Vlaamse Regering.
Voorliggend besluit voorziet in de regeling van de verschillende procedurestappen voor de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s en projecten, wordt de regelgeving voor milieueffectrapportage op uitvoeringsniveau aanzienlijk vereenvoudigd en gebundeld in één besluit wat de kwaliteit, transparantie en vereenvoudiging ten goede komt.
Met het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 werd de mogelijkheid om een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de plicht tot opmaak van een MER opgeheven zoals gemotiveerd in de memorie van toelichting bij het decreet. Er is voortaan enkel nog sprake van MER-plichtige of screeningsgerechtigde projecten. Met voorliggend besluit worden de ontheffingsrubrieken van de huidige bijlage II van het project-m.e.r.-besluit gevat door en opgenomen in de rubrieken van de nieuwe bijlage II (screeningsbijlage), i.e. voor projecten waarvoor (minstens) een screening of milieubeoordeling moet gebeuren. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. biedt een digitale screeningstool aan ter ondersteuning van initiatiefnemers van plannen en projecten om de m.e.r. screening uit te voeren. Deze digitale tool moet de bevoegde overheid helpen bij de beslissing over de screening naar mogelijke aanzienlijke effecten. Ten allen tijde kan een initiatiefnemer verkiezen om onmiddellijk een MER op te maken, zoals ook voorzien in het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 en voorliggend besluit.
Het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 bevat een delegatie aan de Vlaamse Regering om de datum van inwerkingtreding vast te stellen van het decreet. De bepalingen van titel IV DABM en van het voorliggend uitvoeringsbesluit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het tijdstip van die inwerkingtreding wordt bij voorliggend besluit van de Vlaamse Regering vastgesteld en valt samen met de uiterste datum van inwerkingtreding voorzien in voormeld decreet, nl. 1/12/2025. Zo kan er geen verwarring ontstaan betreffende de inwerkingtreding van alle bepalingen rond milieueffectrapportage.
Voorliggend besluit voorziet een gestructureerde opbouw van de tekst volgens de kenmerken en procesonderdelen van milieubeoordeling voor plannen en programma’s en projecten, wat de eenduidigheid en leesbaarheid ten goede komt.
2 ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Gehanteerde afkortingen
- DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
- M.e.r.-decreet: het decreet van 17 mei 2024 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en diverse andere decreten, wat betreft de milieueffectrapportage;
- OVD: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
- departement: het Departement Omgeving;
- VECM: het Vlaams expertisecentrum m.e.r.;
TITEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.
Dit somt de Europese richtlijnen op waarvan het besluit een gedeeltelijke omzetting van is, zoals verplicht door Europese wetgeving.
Artikel 2.
Dit artikel bevat een aantal definities. De meeste zijn overgenomen uit bestaande regelgeving betreffende de milieueffectrapportage zoals het plan-m.e.r.-besluit van 12 oktober 2007, het project-m.e.r.-besluit van 10 december 2004 en het aanmeldingsbesluit van 17 februari 2017 die deels worden opgeheven en overgenomen in voorliggend besluit.
Het begrip “beveiligde zending” wordt in dit artikel nader gedefinieerd en omschreven. Het begrip ‘beveiligde zending’ wordt gebruikt om de wijze van communicatie tussen de vermelde instanties en de initiatiefnemer, stapsgewijs en zo flexibel mogelijk te kunnen digitaliseren m.o.o. verdere technologische ontwikkelingen. De definitie is ook in lijn met de bepalingen van het OVD.
Doel is bij de inwerkingtreding minstens alle communicatie met het VECM digitaal te laten verlopen via digitale beveiligde zending, oftewel via email. In een tweede fase wordt het mogelijk alle adviesvragen, maximaal geautomatiseerd, via een e-loket te stellen. Dit zal ook zo uitgewerkt worden in de bepalingen in dit besluit.
Artikel 3.
Dit artikel hoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.
Dit artikel geeft uitvoering aan nieuw artikel 4.2.6. DABM dat het principe van de mogelijkheid formuleert tot coördinatie tussen milieueffectrapportages onderling en eventueel andere rapportage-instrumenten. Deze rapportage-instrumenten kunnen in veel gevallen aanzien worden als effectboordelingen die een nuttige bron van informatie kunnen zijn i.h.k.v. een milieubeoordeling en dubbel onderzoek kunnen vermijden.
Afstemming dient steeds te worden nagestreefd, effectbeoordelingen moeten namelijk zoveel mogelijk gelijktijdig uitgevoerd worden. Dit streven kan echter niet worden opgelegd, tenzij de sectorale regelgeving de afstemming verplicht maakt (bijv. ten aanzien van de passende beoordeling, artikel 36ter, §3, lid 8 van het Natuurdecreet). Deze gelijktijdigheid maakt het bijvoorbeeld gemakkelijker om informatie die afkomstig is uit één effectbeoordeling te gebruiken in andere effectbeoordelingen overeenkomstig nieuw artikel 4.2.4. DABM. De effectbeoordelingen kunnen dus in verschillende beleidsdomeinen voorkomen.
Dit artikel voorziet de wijze waarop de initiatiefnemer dergelijk verzoek moet indienen. Het VEC en de initiatiefnemer kunnen vooraf overleg plegen over de mogelijkheid tot coördinatie en adviesverlening.
Paragraaf 2 stelt dat het VECM haar advies over de afstemming of integratie dient te motiveren opdat het voor de initiatiefnemer zo duidelijk mogelijk is wat de mogelijkheid tot coördinatie of integratie inhoudt en welke informatie hergebruikt kan worden. Dit komt de efficiëntie van effectbeoordelingen ten goede.
Het VECM bezorgt haar advies binnen een redelijke termijn. Er wordt hier geen vaste termijn voorzien omdat dit afhankelijk is van procedure tot procedure. Het is eigen aan een langlopende m.e.r.-procedure dat als de omgeving wijzigt tijdens de procedure, het MER daarop moet aangepast worden. Ergens een moment van afkloppen bepalen is juridisch niet mogelijk.
Titel 2. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PLANNEN EN PROGRAMMA’S
Hoofdstuk 1. Screening
Afdeling 1. Adviesvraag over het ontwerp van screening
Artikel 5.
De “screening” betreft het geheel van milieu-informatie die vereist is om te kunnen motiveren dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en om deze reden het niet vereist zal zijn een milieubeoordeling uit te voeren. Een belangrijke stap in het verzamelen van deze informatie betreft de adviesvraag aan de instanties die in de eerste paragraaf van dit artikel zijn omschreven. De initiatiefnemer raadpleegt deze instanties op eigen initiatief via beveiligde zending, waaronder ook het VECM.
In paragraaf 2 van artikel 5 wordt omschreven welke informatie het ontwerp van screening zal omvatten op het ogenblik dat de adviesvraag in paragraaf 1 gesteld kan worden. Er wordt rekening gehouden met het evolutief karakter van het planningsproces waardoor deze informatie beperkt is tot de essentie en de informatie die op dat ogenblik voor de initiatiefnemer redelijkerwijze bekend is.
In paragraaf 3 wordt de mogelijkheid voorzien een advies te vragen aan andere adviesinstanties waarvoor de adviesvraag in paragraaf 1 niet verplicht is.
Artikel 6.
In artikel 6 wordt een termijn van 30 dagen voorgeschreven voor de adviesinstanties die overeenkomstig artikel 5 bevraagd zijn. Er wordt echter rekening gehouden met het feit dat deze termijn te kort kan zijn, bijvoorbeeld indien voor de adviesvraag een grote hoeveelheid informatie verwerkt zal moeten worden. In het tweede lid van dit artikel wordt om deze reden voorzien in de mogelijkheid om de adviestermijn op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek en in onderling overleg te verlengen. Het verzoek moet met redenen omkleed zijn om willekeur tegen te gaan. Uiteraard dient dergelijk verzoek besproken te worden met de initiatiefnemer want dit heeft natuurlijk een invloed op het verdere verloop van de procedure.
Afdeling 2. Inhoud van de screening
Artikel 7.
Artikel 7 bepaalt de essentiële elementen van de screening op basis waarvan de bevoegde overheid een motivering overeenkomstig artikel 4.3.5, § 2 van het gewijzigd decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zal kunnen aannemen. Voor plannen en programma’s zal slechts op basis van een screening gemotiveerd kunnen worden dat het plan of programma niet aan een milieubeoordeling onderworpen zal moeten worden als de adviezen die overeenkomstig artikel 6 uitgebracht zijn ook verwerkt zijn in de screening. De initiatiefnemer is hiertoe verantwoordelijk en zal, indien nodig, de vervolledigde screening aan de bevoegde overheid bezorgen na verwerking van de adviezen. Dit is uiteraard slechts nodig indien de initiatiefnemer en de bevoegde overheid niet dezelfde partij zijn, bijvoorbeeld bij planologische attesten.
Afdeling 3. Bekendmaking van de motivering over de screening
Artikel 8.
Indien op basis van een screening gemotiveerd wordt dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden en de milieubeoordeling voor het betreffende plan of programma niet vereist zal zijn, bepaalt artikel 8 dat de bevoegde overheid de inhoud van de vervolledigde screening én haar motivering aan de instanties zal bezorgen via beveiligde zending. Als de initiatiefnemer en de bevoegde overheid niet dezelfde partij zijn, zal de initiatiefnemer uiteraard ook tegelijkertijd op de hoogte moeten worden gebracht.
Daarnaast zal deze screening én motivering ook belangrijke informatie omvatten in het kader van de definitieve vaststelling van een plan of programma. De screening moet bijgevolg beschikbaar zijn uiterlijk bij de definitieve vaststelling van het plan of programma. In het tweede en derde lid van artikel 8 wordt dan ook de wijze bepaald waarop de bevoegde overheid de screening en de motivering aan het publiek beschikbaar moet stellen. Om ervoor te zorgen dat deze informatie het betrokken publiek kan bereiken wordt zowel de publicatie op de internetsite van de bevoegde overheid voorgeschreven, als op de internetsites van het VECM en de gemeenten waarop het voorgenomen plan of programma milieueffecten kan hebben. De bevoegde overheid neemt het initiatief om het VECM en de gemeenten te verzoeken de screening en de motivering op hun internetsite te publiceren. De screening en de motivering over de screening blijven gedurende zestig dagen na de bekendmaking van het plan of programma publiek raadpleegbaar teneinde het publiek de mogelijkheid te bieden tijdens die termijn een eventueel jurisdictioneel beroep tegen het plan of programma in te stellen en de screening te raadplegen.
Hoofdstuk 2. Milieubeoordeling
Afdeling 1. Aanmelding
Artikel 9.
In artikel 9 wordt verduidelijkt dat deze afdeling betrekking heeft op de aanmelding zoals bedoeld in het gewijzigd decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Artikel 10.
In artikel 10 wordt een opsomming gegeven van de gegevens die de aanmelding zal bevatten. Er wordt echter rekening mee gehouden dat de aanmelding ook vroeg in het planningsproces kan plaatsvinden en vervolgens niet alle elementen reeds op dat ogenblik gekend zijn. De initiatiefnemer betrekt in de aanmelding alle elementen omschreven in het eerste lid die op dat ogenblik reeds gekend zijn.
Minstens zal de aanmelding een beschrijving en verduidelijking van de intenties inzake het voorgenomen plan of programma en een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft, bevatten, zoals omschreven in punt 1°. Het is mogelijk dat op het ogenblik van de aanmelding slechts deze intenties duidelijk zullen zijn, maar nog geen ontwerpplan of -programma beschikbaar is en nog niet duidelijk is op welk instrument hiervoor beroep wordt gedaan. In dat geval zal de initiatiefnemer de informatie zoals omschreven in punt 2° nog niet moeten bezorgen. De initiatiefnemer kan er immers voor kiezen het voornemen om een plan of programma op te maken vroeg in het planningsproces aan te melden zonder dat er reeds een ontwerpplan of -programma beschikbaar is.
Daarnaast is het ook mogelijk dat de initiatiefnemer het voornemen later in het planningsproces aanmeldt, bijvoorbeeld op het ogenblik dat een voorstel van scoping reeds opgemaakt is. In dat geval kan de aanmeldingsfase van afdeling 1 gelijklopen met de scopingsfase van afdeling 2.
Indien de initiatiefnemer reeds in de aanmeldingsfase vaststelt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, vereist punt 3° van dit artikel dat de initiatiefnemer ook de gegevens bezorgt die relevant kunnen zijn voor het VECM om te starten met de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in artikel 4.4.2, §5 van het decreet.
Punt 4° voorziet dat ook relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de rapporten die daaruit zijn voortgekomen betrokken worden in de aanmelding indien deze voorhanden zijn.
Punt 5° bepaalt dat met de aanmelding de initiatiefnemer meteen ook tot de onttrekking van de bekendmaking en terinzagelegging van de aanmelding of aangeduide delen kan verzoeken en hiertoe de gronden meedeelt conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet.
Punt 6° bepaalt dat de erkende MER-coördinator die het m.e.r.-proces zal coördineren, indien die al gekend is, via de aanmelding moet meegedeeld worden zodat het VECM efficiënt kan inzetten op de kwaliteitsborging en handhaving van de erkenning van MER-coördinatoren. De erkenning moet immers garant staan voor kwaliteit en expertise.
Artikel 11.
De aanmelding heeft als doel het publiek in kennis te stellen van het gegeven dat er een milieubeoordeling zal plaatsvinden. Artikel 11 bepaalt om deze reden dat het VECM binnen twintig dagen na ontvangst de aanmelding zal publiceren op haar internetsite. De aanmelding blijft raadpleegbaar tot de aankondiging van het openbaar onderzoek. Indien de publicatie behouden wordt na het verstrijken van deze termijn wordt ervoor gezorgd dat de eventuele persoonsgegevens vermeld in de aanmelding niet kunnen worden geraadpleegd om de persoonsgegevens niet onnodig lang publiek beschikbaar te houden.
Artikel 12.
Indien reeds uit de aanmelding blijkt dat het voorgenomen plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, zal het VECM conform paragraaf 1 van dit artikel het initiatief nemen om de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hiervan op de hoogte te brengen en hen te vragen of ze bij het verdere milieubeoordelingsproces betrokken willen worden. De bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten kunnen hier ook zelf om vragen.
Het is ook mogelijk dat de aanmelding plaatsvindt gelijktijdig met de scoping zoals omschreven in afdeling 2. In dat geval bepaalt paragraaf 2 van dit artikel dat bij kans op aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten de grensoverschrijdende raadpleging zoals beschreven voor de scopingsfase in artikel 17 zal plaatsvinden en de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten meteen bevraagd zullen worden over het voorstel van scoping. Het is in dat geval uiteraard niet nodig dat de bevoegde autoriteiten tweemaal worden geraadpleegd, over de aanmelding en het voorstel van scoping.
Afdeling 2. Scoping
Onderafdeling 1. Scoping
Artikel 13.
De scopingsfase wordt aangevat door de opmaak van een voorstel van scoping dat wordt voorgelegd aan de adviesinstanties die in het eerste lid van dit artikel worden opgesomd. Het tweede lid van dit artikel bepaalt welke elementen het voorstel van scoping dat in deze adviesvraag zal worden voorgelegd, zal bevatten. Het voorstel van scoping bevat naast de elementen die gaan over het plan of programma zelf en voortbouwen op de informatie die in de aanmelding werd bezorgd, de elementen die de inhoud en omvang bepalen van de zaken die moeten worden behandeld in het MER-rapport. Zo bevat het voorstel van scoping minstens de relevante informatie over de te verwachten aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma (punt 3°), een voorstel over de reikwijdte en detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER (punt 4° en punt 5°) en een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het voorgenomen plan of -programma of voor onderdelen ervan die de initiatiefnemer heeft overwogen en zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven (punt 6°).
Artikel 14.
Artikel 14 bepaalt dat de adviesvraag vermeldt in artikel 13, eerste lid via beveiligde zending aan het VECM. en de adviesinstanties wordt bezorgd.
Artikel 15.
Publieke participatie in de scopingsfase is niet verplicht. De initiatiefnemer kan vrijwillig een vorm van publieke participatie in deze fase organiseren en vervolgens kan de initiatiefnemer conform dit artikel de resultaten hiervan aan het VECM meedelen via beveiligde zending. Dit is eveneens een mogelijkheid en geen verplichting. Er wordt immers rekening gehouden met het feit dat de vorm van de publieke participatie vrij is en het daardoor niet evident kan zijn om de resultaten hiervan mee te delen. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om in de scopingsfase rekening te houden met de eventuele resultaten van een participatiemoment.
Artikel 16.
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de adviesinstanties en het VECM. een termijn van dertig dagen hebben nadat ze de adviesvraag hebben ontvangen om hun scopingadvies over het voorstel van scoping via beveiligde zending aan de initiatiefnemer te bezorgen. Conform het tweede lid zal het VECM. in voorkomend geval ook gelijktijdig beslissen over het verzoek tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van het voorstel van scoping of aangeduide delen ervan. Tot slot bepaalt het derde lid dat het voorstel van scoping en de scopingsadviezen door het publiek kunnen worden geraadpleegd op de internetsite van het VECM, met uitzondering van de delen die aan de openbaarheid worden onttrokken, tot zestig dagen na de bekendmaking van de eindbeslissing over het plan of programma vermeld in artikel 27. Op die manier worden de persoonsgegevens niet onnodig lang publiek beschikbaar gehouden.
Artikel 17.
Artikel 17 bepaalt de wijze waarop de grensoverschrijdende raadpleging plaatsheeft in de scopingsfase wanneer de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hun deelname reeds hebben bevestigd in de aanmeldingsfase, of indien pas uit het voorstel van scoping of een scopingadvies blijkt dat het voorgenomen plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hierom in de scopingsfase verzoeken. Ook in dit geval zal het VECM het initiatief nemen tot grensoverschrijdende raadpleging. In deze fase zullen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten ook hun opmerkingen op het voorstel van scoping kunnen meedelen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de informatie via beveiligde zending zoals omschreven in dit artikel. Het VECM zal conform paragraaf 2 van dit artikel de initiatiefnemer op de hoogte houden van de grensoverschrijdende raadpleging alsook de resultaten die daaruit voortvloeien zodat de initiatiefnemer hiermee rekening kan houden in de scoping. Zoals vermeld in het laatste lid van paragraaf 3 is deze grensoverschrijdende raadpleging niet vereist indien de bevoegde autoriteiten reeds bevraagd zijn conform artikel 12 in de aanmeldingsfase en hier niet op hebben gereageerd of indien zij bevestigd hebben niet te willen deelnemen aan de milieubeoordeling.
Onderafdeling 2. Geïntegreerd scopingadvies
Artikel 18.
De initiatiefnemer kan ertoe besluiten het VECM. om een geïntegreerd scopingadvies te verzoeken nadat reeds conform onderafdeling 1 de adviesinstanties en het VECM om een scopingadvies zijn gevraagd. In dat geval zal de vraag tot geïntegreerd scopingadvies conform paragraaf 1, punt 2° van dit artikel ook de resultaten van deze raadpleging omvatten. In dat geval zal de initiatiefnemer uiteraard niet verplicht zijn om de adviesinstanties een tweede maal te bevragen conform paragraaf 2 van dit artikel.
Het is ook mogelijk dat de initiatiefnemer het VECM verzoekt om een geïntegreerd scopingadvies als de raadpleging in de scopingsfase nog niet heeft plaatsgevonden. In dat geval is de initiatiefnemer uiteraard niet verplicht de resultaten conform paragraaf 1, punt 2° bij de vraag tot geïntegreerd scopingadvies te voegen maar zal de initiatiefnemer alsnog de adviesvraag moeten stellen conform paragraaf 2 van dit artikel en zal de initiatiefnemer bij de vraag tot geïntegreerd scopingadvies aan het VECM. meedelen welke adviesinstanties conform paragraaf 2 worden bevraagd. Bij de adviesvraag aan de adviesinstanties conform paragraaf 2 vermeldt de initiatiefnemer dat een vraag tot geïntegreerd scopingadvies aan het VECM wordt gesteld. De adviesinstanties beschikken vervolgens over een termijn van dertig dagen om via beveiligde zending hun scopingadvies zowel aan de initiatiefnemer als aan het VECM te bezorgen. Het besluit is afgestemd op artikel 4.1.2. DABM, er wordt dus niet gewacht op laattijdige adviezen om verdere stappen te nemen in de procedure. Het VECM. moet ook tijdig haar geïntegreerd advies geven. Eens zij haar advies heeft uitgebracht zal ze geen rekening meer kunnen houden met laattijdige adviezen. Wél is het denkbaar dat het laattijdig advies nog aan de initiatiefnemer wordt bezorgd. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om al dan niet nog rekening te houden met dit advies.
Tot slot wordt in paragraaf 3 van dit artikel bepaald dat het VECM nog bijkomende instanties kan raadplegen op eigen initiatief die vervolgens eveneens over een adviestermijn van dertig dagen zullen beschikken.
Artikel 19.
Voor of tijdens de behandeling van de vraag tot geïntegreerd scopingadvies kan de initiatiefnemer vrijwillig een vorm van publieke participatie organiseren. Dit artikel maakt het mogelijk om de resultaten hiervan mee te delen aan het VECM. via beveiligde zending. Dit is echter een mogelijkheid en geen verplichting. Er wordt immers rekening gehouden met het feit dat de vorm van de publieke participatie vrij is en het daardoor niet evident kan zijn om de resultaten hiervan mee te delen. Het VECM is bovendien niet verplicht om rekening te houden met deze resultaten in de opmaak van het geïntegreerd scopingadvies. Het VECM kan de resultaten van de participatie betrekken maar is hiertoe niet verplicht. Het blijft de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om de resultaten van de participatie te verwerken.
Artikel 20.
Artikel 20 bepaalt dat het VECM binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van de adviesvraag het geïntegreerd scopingadvies via beveiligde zending bezorgt aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde adviesinstanties.
In het tweede en derde lid van dit artikel wordt de inhoud van het geïntegreerd scopingadvies verduidelijkt. Indien het VECM. nog niet eerder in een scopingadvies een beslissing heeft genomen omtrent de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van het voorstel van scoping van de aanmelding of aangeduide delen zal het VECM dit integreren in het geïntegreerd scopingadvies.
Het VECM houdt in het geïntegreerd scopingadvies in ieder geval rekening met de scopingsadviezen van de geraadpleegde instanties. Voorts bepaalt punt 2° van het derde lid dat het VECM eveneens met de opmerkingen van bevoegde autoriteiten van betrokken staten en gewesten rekening houdt indien deze op dat ogenblik beschikbaar zijn. Het is ook mogelijk dat pas uit het geïntegreerd scopingadvies duidelijk wordt dat het voorgenomen plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben. In dat geval zullen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten alsnog geraadpleegd kunnen worden conform artikel 21 van dit besluit. In dat geval zal het VECM uiteraard geen rekening kunnen houden met de opmerkingen van het bevoegde autoriteiten in het geïntegreerd scopingadvies.
Tot slot bepaalt het derde lid van deze bepaling dat het geïntegreerd scopingadvies tot minstens 60 dagen na de bekendmaking van de eindbeslissing over het plan of programma door het publiek kan worden geraadpleegd op de internetsite van het VECM, zodat tijdens de beroepstermijn voor een eventueel jurisdictioneel tegen het plan of programma het publiek kan nagaan hoe met het advies werd omgegaan in de uiteindelijke uitwerking van het plan-MER. Op die manier worden de adviezen niet onnodig lang publiek beschikbaar gehouden.
Artikel 21.
Zoals toegelicht bij artikel 18, is het mogelijk dat de initiatiefnemer het VECM verzoekt om een geïntegreerd scopingadvies als de raadpleging in de scopingsfase nog niet heeft plaatsgevonden en het VECM aldus slechts in deze fase kennis neemt van het voorstel van scoping. In dat geval zal het VECM de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten nog niet eerder geraadpleegd hebben over het voorstel van scoping als blijkt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben. Daarnaast is het ook mogelijk dat pas in het geïntegreerd scopingadvies duidelijk wordt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben. Artikel 21 bepaalt dat het VECM in deze gevallen de bevoegde autoriteiten alsnog zal raadplegen en dat hiervoor de nadere regels die zijn bepaald in artikel 17 ook van toepassing zullen zijn.
Afdeling 3. Raadpleging over het MER
Onderafdeling 1. Het openbaar onderzoek
Artikel 22.
De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de opmaak van het ontwerp van plan-MER. De bevoegde overheid is vervolgens verantwoordelijk voor het organiseren van een openbaar onderzoek over het ontwerpplan of -programma samen met dit ontwerp van plan-MER conform artikel 4.4.6, § 1 van het gewijzigd decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. In de meeste gevallen zullen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid dezelfde partij zijn. Artikel 22 voorziet echter dat als dit niet het geval is, de initiatiefnemer het ontwerp van plan-MER aan de bevoegde overheid overmaakt met het verzoek het openbaar onderzoek te organiseren.
Artikel 23.
Artikel 23 bepaalt dat de bevoegde overheid verantwoordelijk is voor de aankondiging van het openbaar onderzoek op haar eigen internetsite (paragraaf 1) en daarnaast het VECM en de gemeente of gemeenten waarop het voorgenomen plan of programma milieueffecten kan hebben zal verzoeken het openbaar onderzoek eveneens aan te kondigen op hun internetsites. Daarnaast worden voormelde gemeenten eveneens gevraagd de aankondiging via aanplakking bekend te maken op de aanplakplaatsen van de gemeente. Om een breed betrokken publiek te kunnen bereiken zal het immers nodig zijn de aankondiging niet uitsluitend op digitale wijze te voorzien.
Alle voormelde aankondigingen bevatten de informatie vermeld in paragraaf 1 van dit artikel. Het is niet nodig dat op het ogenblik van de aankondiging reeds het ontwerpplan of -programma en het ontwerp plan-MER aan de aankondiging toegevoegd wordt. Het kan volstaan dat in de aankondigingen verwezen wordt naar de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek (punt 1°), de plaats waar de documenten ter inzage zullen liggen tijdens het openbaar onderzoek (punt 2°) en de internetsite van de bevoegde overheid waar de documenten ook digitaal zullen kunnen worden geraadpleegd tijdens het openbaar onderzoek (punt 3°) en de plaats waar en het tijdstip waarop in voorkomend geval een of meer informatie- of hoorzittingen worden georganiseerd (punt 4°). Tot slot zal de bevoegde overheid bepalen op welke wijze het publiek zijn opmerkingen kenbaar kan maken en kan bezorgen vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek (punt 5°) en zal daarbij rekening moeten houden dat het publiek ook op analoge wijze zal moeten kunnen reageren. De bevoegde overheid bezorgt voormelde informatie aan het VECM en de gemeente of gemeenten waarop het voorgenomen plan of programma milieueffecten kan hebben voor de aankondiging.
Voorts bepaalt paragraaf 3 dat alle voormelde aankondigingen uiterlijk 10 dagen voor de start van het openbaar onderzoek moeten plaatsvinden en minstens gedurende het openbaar onderzoek raadpleegbaar blijven.
Tot slot voorziet paragraaf 4 een delegatie aan de minister om indien gewenst modaliteiten te bepalen voor het indienen van opmerkingen vermeld in paragraaf 1 punt 5. Op vraag van de Raad van State in haar advies van 29 augustus 2025 met nr. 78.008/1/V wordt hierbij verduidelijkt dat dit uiteraard beperkt blijft tot technische en detailmatige modaliteiten die praktisch vereist zouden zijn voor het indienen van opmerkingen via een bepaalde weg. Het is niet de bedoeling van deze bepaling dat de minister inhoudelijke voorwaarden kan bepalen voor wanneer de indiening van een standpunt kan worden toegelaten.
Onderafdeling 2. Adviesverlening
Artikel 24.
In paragraaf 1 van artikel 24 worden de adviesinstanties opgesomd die de bevoegde overheid voor de aanvang van het openbaar onderzoek om advies zal moeten vragen conform artikel 4.4.6, §2 van het gewijzigd decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen milieubeleid. In het laatste lid van deze paragraaf wordt bepaald dat deze adviesvraag via beveiligde zending zal moeten worden bezorgd en vergezeld zal moeten worden van het ontwerpplan of -programma en het ontwerp plan-MER. De bevoegde overheid vermeldt de einddatum van het openbaar onderzoek in deze adviesvraag en duidt aan welke instanties om advies worden gevraagd.
Conform paragraaf 2 van dit artikel zullen alle adviesinstanties uiterlijk op de einddatum van het openbaar onderzoek hun advies moeten bezorgen. Deze adviestermijn is gelijk voor het VECM en de andere adviesinstanties die conform paragraaf 1 van dit artikel geraadpleegd worden. Na het verloop van het openbaar onderzoek beschikt de bevoegde overheid in principe over zowel de resultaten van de adviesverlening als de reacties vanuit het publiek.
In afwijking van het voorgaande voorziet het laatste lid van paragraaf 2 in de mogelijkheid om de adviestermijn op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek en in onderling overleg te verlengen.
Onderafdeling 3. Grensoverschrijdende consultatie
Artikel 25.
Artikel 25 bepaalt dat gelijktijdig met het openbaar onderzoek en de adviesverlening van onderafdeling 1 en 2 de grensoverschrijdende consultatie zal plaatsvinden als het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de bevoegde overheid hiertoe het initiatief zal nemen en uiterlijk 10 dagen voor de aanvang van het openbaar onderzoek aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten alle informatie zal meedelen die ook bij de aankondiging van het openbaar onderzoek conform artikel 23, § 1 van dit besluit wordt meegedeeld. Zodoende zijn de bevoegde autoriteiten meteen op de hoogte wanneer het openbaar onderzoek zal worden georganiseerd, waar de documenten raadpleegbaar zullen zijn en kunnen zij desgevallend tijdig een eigen participatie aankondigen en organiseren. Uiterlijk voor de aanvang van het openbaar onderzoek stelt de bevoegde overheid vervolgens de informatie ter beschikking die in het tweede lid wordt omschreven. De bevoegde autoriteiten krijgen vervolgens conform het derde lid van dit artikel tijd tot het einde van het openbaar onderzoek om hun advies samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, mee te delen aan de bevoegde overheid via beveiligde zending. Zo beschikt na het verloop van het openbaar onderzoek de bevoegde overheid in principe over zowel de resultaten van de adviesverlening, de reacties vanuit het eigen publiek als over de resultaten van de eventuele grensoverschrijdende consultatie.
Tot slot bepaalt het laatste lid van dit artikel dat in onderling overleg tussen de bevoegde overheid en de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten ook praktische regelingen kunnen worden getroffen die nadere invulling geven aan voormelde raadpleging.
Onderafdeling 4. Verwerking van de resultaten en aanpassing van het ontwerp plan-MER
Artikel 26.
Naar aanleiding van de resultaten van het openbaar onderzoek en de adviesverlening zal de initiatiefnemer conform het eerste lid van dit artikel het plan-MER kunnen aanpassen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om na te gaan of deze aanpassingen op een voor de milieueffectbeoordeling relevant punt verschilt ten opzichte van het ontwerp en of er stappen in de milieubeoordeling hernomen moeten worden.
Indien de initiatiefnemer en de bevoegde overheid niet dezelfde partij zijn, bepaalt het tweede lid dat de initiatiefnemer het aangepaste plan-MER aan de bevoegde overheid bezorgt die vervolgens op basis van dit plan-MER haar beslissing over het plan of programma zal nemen.
Hoofdstuk 3. De bekendmaking van de beslissing
Artikel 27.
Na het nemen van een definitieve beslissing over het plan of programma is de bevoegde overheid verantwoordelijk om de informatie, vermeld in artikel 4.4.8, §2, eerste lid, van het decreet aan de geraadpleegde instanties en, als dat nodig is, aan de initiatiefnemer te bezorgen. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt dat de bevoegde overheid dit via beveiligde zending bezorgt aan voormelde instanties.
Paragraaf 2 van dit artikel bepaalt verder de nadere regels voor de bekendmaking van de informatie, vermeld in artikel 4.4.8, §2, eerste lid, van het decreet. De bevoegde overheid zal er niet alleen voor zorgen dat de informatie door het publiek raadpleegbaar zal zijn op haar eigen internetsite, maar zal ook het VECM en de gemeente of gemeenten waarop het vastgestelde plan of programma milieueffecten kan hebben verzoeken de informatie te publiceren op hun internetsite. Bovendien zal de bevoegde overheid voormelde gemeenten eveneens verzoeken bij aanplakking die minstens 30 dagen duurt, bekend te maken waar deze informatie kan worden geraadpleegd. De informatie zal 60 dagen na bekendmaking van het plan of programma raadpleegbaar blijven. Dit is de beroepstermijn tegen het definitief vastgestelde plan of programma bij de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak. Op die manier heeft het publiek tijd om zich te informeren en eventueel beroep in te stellen en daarvoor de nodige documenten/informatie te raadplegen. De maximale termijn zorgt ervoor dat naderhand de persoonsgegevens niet onnodig lang publiek beschikbaar worden gehouden.
TITEL 3. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PROJECTEN
Hoofdstuk 4. Categorieën van projecten die onderworpen zijn aan een screening of een milieubeoordeling
Artikel 28.
Dit artikel geeft uitvoering aan nieuw artikel 4.3.3., §1, DABM. In bijlage 1 bij dit besluit zijn de categorieën van projecten opgenomen die conform artikel 4.3.3, §1, 1°, DABM aan een milieubeoordeling worden onderworpen en waarvoor een project-MER moet worden opgesteld. In bijlage 2 bij dit besluit zijn de categorieën van projecten opgenomen die conform artikel 4.3.3, §1, 2° DABM aan een screening of een milieubeoordeling worden onderworpen.
De bijlagen in voorliggend besluit zijn het resultaat van een oefening tot samenvoeging van de categorieën van projecten van bijlage I en III opgenomen in de bijlagen bij het project-m.e.r.-besluit van 10 december 2024 na afschaffing van bijlage II. De verschuiving van alle projecten uit bijlage II naar de screeningbijlage (nieuwe bijlage II) betekent niet dat er minder aandacht komt voor milieueffecten. Elk project wordt immers nog steeds onderworpen aan een verplichte project-m.e.r.-screening, die de aanzienlijkheid van milieueffecten moet beoordelen. Deze screening moet rekening houden met de criteria uit bijlage I van het DABM (aard van het project, locatie, de soort en kenmerken van potentiële effecten), zoals ook vereist door Europese project-mer-richtlijn 2011/92/EU.
De afschaffing van de ontheffing en het behouden van slechts twee sporen (MER-plicht van rechtswege en screeningpsgerechtigd) is een vereenvoudiging waarmee maximale afstemming met de project-mer-richtlijn wordt nagestreefd. De richtlijn vereist immers geen afzonderlijke ontheffingsprocedure, maar laat toe dat de beoordeling via een screening gebeurt, zolang die aan de vereisten voldoet. Dit komt de rechtszekerheid en de toegankelijkheid van de procedure ten goede.
Met het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 werd de mogelijkheid om een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de plicht tot opmaak van een MER opgeheven zoals gemotiveerd in de memorie van toelichting bij het decreet. Er is voortaan enkel nog sprake van MER-plichtige of screeningsgerechtigde projecten. Met voorliggend besluit worden de ontheffingsrubrieken van de huidige bijlage II van het project-m.e.r.-besluit gevat door en opgenomen in de rubrieken van de nieuwe bijlage 2 (screeningsbijlage), i.e. voor projecten waarvoor (minstens) een screening of milieubeoordeling moet gebeuren. Voor elk van deze rubrieken dient dus nagegaan te worden of er mogelijke aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en alsnog de opmaak van een MER nodig is. Deze beleidskeuze is in lijn met de Europese richtlijn en zo wordt goldplating vermeden om het level playing field te waarborgen. Het aantal jaarlijkse ontheffingen is echter beperkt tot een 50-tal aanvragen.
Ten allen tijde kan een initiatiefnemer verkiezen om onmiddellijk een MER op te maken zoals ook voorzien in het m.e.r. decreet van 17 mei 2024 en voorliggend besluit.
Het VECM biedt een digitale screeningstool aan ter ondersteuning van initiatiefnemers van projecten om de m.e.r. screening uit te voeren. Deze digitale tool moet de bevoegde overheid helpen bij de beslissing over de screening naar mogelijke aanzienlijke effecten.
De huidige werkwijze waarbij een project onder de toepassing valt van meerdere bijlagen blijft van toepassing: voor dat project geldt de procedure van toepassing op projecten van bijlage 1, i.e. een milieubeoordeling met project-MER als resultaat.
Op vraag van de Raad van State in haar advies van 29 augustus 2025 met nummer 78.008/1/V wordt de motivering verder aangevuld met de maatregelen die er voor moeten zorgen dat geen aanzienlijke achteruitgang van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu voorligt met de nieuwe screeningsbijlage.
De overheveling van de ontheffingsplichtige projecten naar de screeningsgerechtigde projecten brengt geen inhoudelijke wijziging teweeg aan het beschermingsniveau van het leefmilieu. Zowel de vroegere ontheffingsprocedure als de (huidige en toekomstige) project-m.e.r.-screening zijn immers louter beoordelingsinstrumenten om na te gaan of een project aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken.
Het tijdstip waarop deze beoordeling gebeurt, heeft geen invloed op het beschermingsniveau. Noch de ontheffingsprocedure, noch de screening omvat participatie of een openbaar onderzoek. De beoordeling blijft een interne, deskundige analyse van de milieueffecten, zonder vorming van rechten voor derden of extra waarborgmechanismen. De verschuiving van de beoordelingsbevoegdheid naar de vergunningverlenende overheden verandert dus niets aan de aard van de beoordeling. De screening blijft gebonden aan de criteria van bijlage I van het DABM en de Europese project-m.e.r.-richtlijn 2011/92/EU. Elk project wordt nog steeds getoetst op aanzienlijke milieueffecten. In beide gevallen geldt dat wanneer de beoordeling uitwijst dat aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn, de opmaak van een project-MER verplicht is.
Om de bevoegde vergunningverlenende overheden optimaal te ondersteunen bij de uitvoering van hun nieuwe beoordelingsbevoegdheid, worden verschillende maatregelen voorzien. Door deze maatregelen zullen de vergunningverlenende overheden toegang hebben tot voldoende expertise. Concreet zal er een eerste versie van de project-m.e.r.-screeningstool beschikbaar zijn die de bevoegde vergunningverlenende overheden ondersteunt bij het uitvoeren van de project-m.e.r.-screening. Het VECM zal ook specifieke opleidingen organiseren over het beoordelen van project-m.e.r.-screenings. In geval van twijfel of complexe dossiers kunnen de bevoegde overheden een beroep doen op het VECM voor ondersteuning.
De genomen maatregelen (digitale tool, opleidingen, en toegankelijke expertise) zorgen ervoor dat de bevoegde overheden voldoende uitgerust zijn om de screening correct uit te voeren. Hierdoor wordt de kwaliteit van de beoordeling en de expertise waarmee deze zal uitgevoerd worden gegarandeerd. Het standstill-beginsel wordt gerespecteerd en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu wordt niet aanzienlijk verminderd.
Hoofdstuk 5. Screening
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 29.
De “screening” betreft het geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin van een voorgenomen project wordt aangegeven of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en dus om deze redenen het niet vereist zal zijn een milieubeoordeling uit te voeren.
De procedurele bepalingen van dit hoofdstuk hebben voornamelijk tot doel om de bevoegde overheid handvaten te bieden voor het beoordelen van de ingediende screening door de initiatiefnemer. In nieuw artikel 4.3.6. DABM zijn namelijk de verplichtingen opgenomen waarmee de initiatiefnemer dient rekening te houden bij de opmaak van de screening. Uiteraard houdt ook de bevoegde overheid rekening met artikel 4.3.6 DABM bij haar beoordeling om er zeker van te zijn dat de screening correct werd opgemaakt en de nodige informatie bevat opdat de bevoegde overheid met voldoende kennis van zaken kan oordelen over de aanvaardbaarheid van de screening.
Afdeling 2. Inhoud van de screening
Artikel 30.
Dit artikel verwijst nog eens uitdrukkelijk naar de inhoud van de screening opgenomen in nieuw artikel 4.3.6., §4, DABM, alsook de daarbij horende motiveringsplicht. De screening houdt minstens de elementen vermeld in voormeld artikel 4.3.6, §4, DABM. Dat wil zeggen dat de overheid nog bijkomende zaken of elementen kan vragen die zij nodig acht om te kunnen oordelen met kennis van zaken of praktische zaken of informatie die de beoordeling van screening kunnen vergemakkelijken.
Uit rechtspraak blijkt dat de motivering in verband met de project-m.e.r.-screening vaak tekort schiet. Deze motivering is echter uitdrukkelijk vereist op grond van artikel 4, lid 5 van de MEB-richtlijn, dit blijft dan ook een belangrijk aandachtspunt voor de initiatiefnemer alsook de bevoegde overheden. Wat de motiveringsplicht betreft wordt verwezen naar nieuw artikel 4.3.6, §2, DABM en de bijhorende uitleg in de memorie van toelichting.
Net zoals bij de plan-m.e.r.-screening, is het belangrijk te onderstrepen dat in de project-m.e.r.-screening moet worden nagaan of er, in het licht van de criteria uit bijlage I DABM, mogelijk aanzienlijke effecten te verwachten zijn. Ook hier zal het dus belangrijk zijn om bij de opmaak van de project-m.e.r.-screening niet te vervallen in de opmaak van een effectief project-MER.
Afdeling 3. Beslissing over de screening
Artikel 31.
Dit artikel geeft de bevoegde overheid de nodige handvaten om een beslissing te nemen over de screening, m.a.w. om te oordelen of voor een project al dan niet een milieubeoordeling dient te worden uitgevoerd. Daarbij wordt expliciet nog eens verwezen naar de motiveringsplicht van nieuw artikel 4.3.6, §2, DABM. Dit om het belang ervan nog eens te onderstrepen.
In het tweede lid worden drie redenen gegeven die kunnen leiden tot de beslissing dat er geen milieueffectrapport moet worden opgemaakt:
1° een toetsing aan de criteria van bijlage I bij het DABM uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten;
• dit is de toetsing zoals vermeld in artikel 4.3.6, §2 en §4, DABM
2° vroeger al een plan-MER is opgemaakt over een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten;
• als het plan-MER danig is opgemaakt dat de effecten van een project met dezelfde omvang en effecten reeds op strategisch niveau werd beoordeeld dan heeft een beoordeling op project-niveau geen meerwaarde;
3° vroeger al een project-MER is beoordeeld over een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten;
• hierbij is het wel van belang om na te gaan of de gegevens uit een eerder project-MER hergebruikt kunnen worden en of deze dus actueel genoeg zijn. Uit rechtspraak blijkt dat daarbij o.a. rekening moet gehouden worden met 1) de omgeving die ongewijzigd is gebleven; 2) de van toepassing zijnde regelging ongewijzigd is en 3) dat het project ook zelf niet gewijzigd is met name de aard of omvang en dus qua milieueffecten soortgelijke risico’s met zich meebrengt. Om die reden spreekt punt 3° van herhaling, voortzetting of alternatief van het voorgenomen project.
Een vierde mogelijkheid is ook dat er een reeds goedgekeurde ontheffingsbeslissing voorhanden is zoals vermeld in artikel 4.2.3., §3bis, van het DABM, voor een voorgenomen project en dat beoordeeld en goedgekeurd is door het VECM vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Gelet op feit dat met voorliggend besluit de ontheffingsrubrieken van de huidige bijlage II van het project-m.e.r.-besluit gevat door en opgenomen worden in de rubrieken van de nieuwe bijlage 2 (screeningsbijlage), is het logisch dat indien dergelijk verzoek tot ontheffing goedgekeurd is men deze aan de screening zou voegen ter ondersteuning/motivering van de screening.
Deze vier punten uit het tweede lid zijn geen cumulatieve voorwaarden.
In het laatste lid wordt bovenop de motiveringsplicht vermeld in artikel 4.3.6, §2, DABM ook nog melding gemaakt dat de bevoegde overheid in voorkomend geval rekening houdt met voorgaande beoordelingen.
Deze bepaling is een omzetting van artikel 4 (5) van de MEB-richtlijn. In de Europese interpretatiegids van de Europese Commissie wordt verstaan onder voorgaande beoordelingen niet alleen eerdere screeningsbeslissingen maar ook andere eerder gedane beoordelingen, mogelijks ook uit andere beleidsdomeinen.
“The Developer shall, when submitting the information, take the available results or data from other relevant assessments of effects on the environment, carried out pursuant to other EU legislation than the EIA Directive (e.g. SEA, see the Annex to this Guidance Document on Links with Other EU Instruments), into account. Furthermore, the Developer may enclose information about the Project’s features and the measures envisaged to avoid or prevent potential significant adverse effects on the environment. The Competent Authority in Member States must issue its decision, on whether a proposed Annex II Project is to be subjected to the EIA procedure or not, based on the information provided by the Developer in accordance with the detailed requirements in Annex IIA (see Article 4(5)). The authority is also required to take any other relevant assessments, carried out on the effects on the environment pursuant to other EU legislation than the EIA Directive, into account.” 1
(1 Preparation of guidance documents for the implementation of EIA Directive (Directive 2011/92/EU as amended by 2014/52/EU)/, p. 25.)
En ook nog:
“Note that Screening is carried out at a very early stage of the Project development and that preliminary verifications and assessments pursuant to other legislation may not be available at this stage. In case such assessments exist at the time of the information’s submission, the Developer must include the results of these assessments when relevant to the proposed Project. Accordingly, the Developer and also, pursuant to Article 4(5), the Competent Authority will have to assess whether or not any existing assessments contain information that is relevant to the proposed Project. In addition, the Competent Authority will have to take into account, if available, the results of preliminary verifications (e.g. analysis or studies carried out relevant for the Project).”2
(2 Ibidem, p. 47.)
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State van 29 augustus 2025 met nr. 78.008/1/V wordt hierbij nog verduidelijkt dat het de bedoeling is om in het tweede lid van artikel 31 zo strikt mogelijk bij de bewoording van artikel 4 lid 5 van de project-mer-richtlijn 2011/92/EU te blijven. Er wordt geen ruimere interpretatie beoogd van het begrip voorgaande controles dan datgene dat de richtlijn beoogt nl. het doel om rekening te houden met voorgaande beoordelingen van de effecten op het milieu die uitgevoerd zijn in het kader van de project-mer-richtlijn of Europese milieuwetgeving of gewestelijke en federale (milieu)regelgeving.
Artikel 32.
Dit artikel geeft uitvoering aan nieuw artikel 4.3.6, §5, DABM, dat een omzetting vormt van artikel 4, lid 5 van de MEB-richtlijn. Deze schrijft voor dat de screeningsbeslissing bekend moet worden gemaakt. Deze paragraaf bevat de wijze van bekendmaking, aan wie en hoe.
Het tweede lid stelt dat indien de bevoegde overheid beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp verklaart en wordt de procedure stopgezet. Dit is een logisch gevolg van nieuw artikel 4.3.6, §3, DABM “Als uit de toets, vermeld in paragraaf 1, of uit de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, onderwerpt de initiatiefnemer het voorgenomen project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4.”
De beslissing over de screening wordt niet alleen naar de initiatiefnemer maar ook aan het VECM bezorgd. Op die manier heeft het VECM hier ook zicht op en biedt dit hen meer inzichten in de materie. Bovendien bouwt dit mee aan de gegevens van het expertisecentrum.
Artikel 33.
Dit artikel geeft ook uitvoering aan nieuw artikel 4.3.6, §5, DABM, dat een omzetting vormt van artikel 4, lid 5 van de MEB-richtlijn. Deze schrijft voor dat de screeningsbeslissing raadpleegbaar moet zijn voor het publiek.
De screening én motivering bevat belangrijke informatie die voor het betrokken publiek al dan niet in het kader van een openbaar onderzoek over het project relevant kan zijn. De screening moet bijgevolg beschikbaar zijn en eventueel ook bij de documenten voegen die in het openbaar onderzoek ter inzage liggen. Dit is echter louter een mogelijkheid en geen verplichting, daar niet alle vergunningsprocedures voorzien zijn met een openbaar onderzoek. Het is ook mogelijk dat de screeningsbeslissing na het openbaar onderzoek wordt bekendgemaakt of samen met de eindbeslissing.
Om ervoor te zorgen dat deze informatie het betrokken publiek kan bereiken en de nodige tijd biedt om hier kennis van te nemen alsook het publiek de mogelijkheid te bieden tijdens die termijn een eventueel jurisdictioneel beroep tegen het project in te stellen en de screening te raadplegen, wordt een termijn van minstens dertig dagen voorzien (duur van eventueel openbaar onderzoek) en maximaal tot 45 dagen na de bekendmaking van de eindbeslissing over de vergunningsaanvraag. Dit is in lijn met de bekendmakingstermijn van de omgevingsvergunningsbeslissing en biedt garanties i.h.k.v. AVG dat de gegevens niet langer dan noodzakelijk publiekelijk raadpleegbaar zijn.
Op vraag van de Raad van State in haar advies van 29 augustus 2025 met nr. 78.008/1/V wordt in het tweede lid verduidelijkt dat, indien de beslissing over de screening reeds ter inzage ligt tijdens het openbaar onderzoek, deze ook raadpleegbaar moet zijn voor het publiek tot vijfenveertig dagen na de bekendmaking van de beslissing over de vergunningsaanvraag van het project. Zo worden dezelfde garanties geboden en wordt ervoor gezorgd dat de beslissing nog raadpleegbaar is op het moment van de bekendmaking van de vergunningsbeslissing, ook al werd deze tijdens het openbaar onderzoek ter inzage gelegd.
Hoofdstuk 6. Milieubeoordeling
Afdeling 1. Aanmelding
Artikel 34.
In dit artikel wordt verduidelijkt dat deze afdeling betrekking heeft op de aanmelding zoals bedoeld in het nieuwe artikel 4.4.3. DABM.
Artikel 35.
Dit artikel geeft uitvoering aan nieuw artikel 4.4.3. DABM en bepaalt de inhoud van de aanmelding.
Er wordt echter rekening mee gehouden dat de aanmelding nog voor het indienen van de vergunningsaanvraag wordt ingediend en vervolgens niet alle elementen van een initiatief op dat ogenblik gekend zijn. De initiatiefnemer betrekt in de aanmelding alle elementen die op dat ogenblik reeds gekend zijn.
Minstens zal de aanmelding een beschrijving bevatten van het project, de eventuele alternatieven en de locatie, zoals omschreven in punt 1°.
Punt 2° bepaalt dat de aanmelding moet aangeven welke vergunning(en) moet(en) worden aangevraagd en welke er in voorkomend geval reeds werden verleend. Punt 4° verschilt in deze met 2° dat er duiding moet geboden worden op het procesverloop van dergelijke vergunningsaanvraag.
Punt 3° geeft een beschrijving aan van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben. Dit is natuurlijk louter op basis van de gegevens die op dat moment beschikbaar zijn en een inschatting van welke effecten zullen onderzocht worden. Dit is niet het MER op zichzelf. Het ontwerp MER wordt niet in deze stap van de aanmelding gevoegd.
Indien de initiatiefnemer reeds in de aanmeldingsfase vaststelt dat het project mogelijks aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, vereist punt 5° dat de initiatiefnemer ook de gegevens bezorgt die relevant kunnen zijn voor het VECM om te starten met de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in artikel 4.4.3, §6, van het decreet.
Punt 6° voorziet dat ook relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de rapporten die daaruit zijn voortgekomen betrokken worden in de aanmelding indien deze voorhanden zijn.
Punt 7° bepaalt dat met de aanmelding de initiatiefnemer meteen ook tot de onttrekking van de bekendmaking en terinzagelegging van de aanmelding of aangeduide delen kan verzoeken en hiertoe de gronden meedeelt conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet.
Punt 8° bepaalt dat de erkende MER-coördinator die het m.e.r.-proces zal coördineren en zijn team van erkende MER-deskundigen, indien zij al gekend zijn, via de aanmelding moet meegedeeld worden zodat het VECM efficiënt kan inzetten op de kwaliteitsborging en handhaving van de erkenning van MER-coördinatoren. De erkenning moet immers garant staan voor kwaliteit en expertise.
Het VECM, voormaling team MER, blijft de ontvanger van de aanmelding. Dit gebeurt via digitale beveiligde zending (bv. email).
Artikel 36.
De aanmelding heeft als doel het publiek in kennis te stellen van het gegeven dat er een milieubeoordeling zal plaatsvinden. Artikel 36 bepaalt om deze reden dat het VECM binnen twintig dagen na ontvangst de aanmelding zal publiceren op haar internetsite. Met uitzondering van de informatie waarvoor de initiatiefnemer verzocht heeft te onttrekken aan de openbaarheid en het VECM zijn akkoord gegeven heeft o.b.v. de bepalingen van het Bestuursdecreet (art. II.36 e.v.). De aanmelding blijft publiek beschikbaar tot maximaal de aankondiging van het openbaar onderzoek vermeld in artikel 48 van dit besluit, daar op dat moment het milieueffectrapport is opgemaakt en het project-MER dan in openbaar onderzoek zal liggen. I.h.k.v. AVG wordt zo garantie geboden dat de gegevens niet voor onbepaalde duur op de internetsite van het VECM blijven staan.
Artikel 37.
Indien reeds uit de aanmelding blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, zal het VECM conform paragraaf 1 van dit artikel het initiatief nemen om de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hiervan op de hoogte te brengen en hen te vragen of ze bij het verdere milieubeoordelingsproces betrokken willen worden. De vraag tot deelname moet een minimum aantal aan informatie bevatten wil de grensoverschrijdende consultatie doeltreffend zijn en conform de verplichtingen van artikel 7 van de MEB-richtlijn. Het derde lid bevat deze minimumvereisten.
De bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten kunnen hier ook zelf om vragen, in dat geval zal het VECM ook de aanmelding moeten doorsturen en de overige informatie vermeld in het derde lid.
De initiatiefnemer wordt hiervan op de hoogte gebracht, alsook van de eventuele reactie hierop. Zo kan de initiatiefnemer met eventuele ontvangen opmerkingen rekening houden bij het verdere verloop van het milieubeoordelingsproces.
Het is ook mogelijk dat de aanmelding plaatsvindt gelijktijdig met de scoping zoals omschreven in afdeling 2 van dit hoofdstuk, m.a.w. indien de aanmelding een voorstel van scoping bevat en hiervoor een advies over wordt gevraagd (al dan niet een geïntegreerd advies). In dat geval bepaalt paragraaf 2 van dit artikel dat bij kans op aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten de grensoverschrijdende raadpleging zoals beschreven voor de scopingsfase in artikel 42 (en in voorkomend geval 46) zal plaatsvinden en de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten meteen bevraagd zullen worden over het voorstel van scoping. Het is in dat geval uiteraard niet nodig dat de bevoegde autoriteiten tweemaal worden geraadpleegd, over de aanmelding en het voorstel van scoping. Zie hiervoor bespreking artikel 42 en 46.
Afdeling 2. Scoping
Onderafdeling 1. Scoping
Artikel 38.
Deze bepaling geeft uitvoering aan nieuw artikel 4.4.3., §2, DABM en is een verderzetting van de huidige praktijk. De mogelijkheid blijft bestaan om een scopingadvies te vragen aan het VECM en aan andere relevante instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen.
In het kader van de verdere responsabilisering van de initiatiefnemer wordt er nu wel gevraagd om bij deze adviesvraag ook een voorstel van scoping te voegen opgemaakt door de MER-coördinator. De vraag tot scopingadvies is dus niet een loutere vraag om advies meer maar een wel omschreven voorstel dat minstens een aantal gegevens bevat. Deze zijn opgenomen in het tweede lid van dit artikel.
Het gemotiveerd voorstel van scoping bevat naast de elementen die gaan over het project zelf en voortbouwen op de informatie die in de aanmelding werd bezorgd, de elementen die de inhoud en omvang bepalen van de zaken die moeten worden behandeld in het MER-rapport (reikwijdte en detailleringsgraad). Zo bevat het voorstel van scoping o.a. minstens de relevante informatie over de te verwachten aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project (punt 2°), een voorstel over de reikwijdte en het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het project-MER (punt 3° en punt 4°) en een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het voorgenomen project of voor onderdelen ervan die de initiatiefnemer heeft overwogen en zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven (punt 5°).
Artikel 39.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg, dit regelt louter de wijze waarop het advies met voorstel van scoping moet worden ingediend.
Artikel 40.
Publieke participatie in de scopingsfase is niet verplicht. De initiatiefnemer kan vrijwillig een vorm van publieke participatie in deze fase organiseren en vervolgens kan de initiatiefnemer conform dit artikel de resultaten hiervan aan het VECM en de geraadpleegde adviesinstanties meedelen. Dit is eveneens een mogelijkheid en geen verplichting. Er wordt immers rekening gehouden met het feit dat de vorm van de publieke participatie vrij is en het daardoor niet evident kan zijn om de resultaten hiervan mee te delen. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om in de scopingsfase rekening te houden met de eventuele resultaten van een participatiemoment.
Artikel 41.
Dit artikel bepaalt dat de adviesinstanties en het VECM een termijn van dertig dagen hebben nadat ze de adviesvraag hebben ontvangen om hun scopingadvies aan de initiatiefnemer te bezorgen.
Conform het derde lid zal het VECM in voorkomend geval ook gelijktijdig beslissen over het verzoek tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van het voorstel van scoping of aangeduide delen ervan.
Vervolgens zal het VECM het voorstel van scoping en de uitgebrachte adviezen publiek raadpleegbaar maken op haar internetsite, met uitzondering dan van de gegevens die aan de openbaarheid worden onttrokken. I.h.k.v. AVG wordt de publicatie op de internetsite van het VECM beperkt in de tijd tot maximaal dertig dagen na de bekendmaking van de eindbeslissing over de vergunningsaanvraag vermeld in artikel 57 van dit besluit. Op die manier kan het publiek de adviezen consulteren om kennis te nemen van wat voorafging aan de eindbeslissing of voor het instellen van een jurisdictioneel beroep tegen de eindbeslissing zonder dat de informatie onbeperkt in de tijd op de internetsite blijft staan. De termijn komt overeen met de publicatietermijn van de eindbeslissing.
Artikel 42.
Dit artikel bepaalt de wijze waarop de grensoverschrijdende raadpleging plaatsheeft in de scopingsfase wanneer de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hun deelname reeds hebben bevestigd in de aanmeldingsfase, of indien pas uit het voorstel van scoping of een scopingadvies blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten hierom in de scopingsfase verzoeken. Ook in dit geval zal het VECM het initiatief nemen tot grensoverschrijdende raadpleging.
In deze fase zullen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten ook hun opmerkingen op het voorstel van scoping kunnen meedelen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de informatie via beveiligde zending zoals omschreven in dit artikel.
Het VECM zal conform paragraaf 2 van dit artikel de initiatiefnemer op de hoogte houden van de grensoverschrijdende raadpleging alsook de resultaten die daaruit voortvloeien zodat de initiatiefnemer hiermee rekening kan houden.
Zoals vermeld in het laatste lid van paragraaf 3 is deze grensoverschrijdende raadpleging niet vereist indien de bevoegde autoriteiten reeds bevraagd zijn conform artikel 37 in de aanmeldingsfase en hier niet op hebben gereageerd of indien zij bevestigd hebben niet te willen deelnemen aan de milieubeoordeling.
Onderafdeling 2. Geïntegreerde scoping
Artikel 43.
Nieuw artikel 4.4.3., §4, DABM, voorziet in de mogelijkheid om een geïntegreerd scopingadvies te vragen aan het VECM. Deze adviesvraag kan enkel aan het VECM gesteld worden maar kan zowel in het begin van de scopingsfase gesteld worden als tijdens, m.a.w. met of na de adviesvra(a)g(en) vermeld in artikel 38.
De initiatiefnemer kan ertoe besluiten het VECM om een geïntegreerd scopingadvies te verzoeken nadat reeds conform onderafdeling 1 de adviesinstanties en het VECM om een scopingadvies zijn gevraagd. In dat geval zal de vraag tot geïntegreerd scopingadvies ook de resultaten van deze raadpleging omvatten en zal de initiatiefnemer uiteraard niet verplicht zijn om de adviesinstanties een tweede maal te bevragen conform paragraaf 2, lid 4, van dit artikel. Ook de vraag tot geïntegreerde scoping bevat een voorstel van scoping. Zie uitleg bij artikel 38.
Het is ook mogelijk dat de initiatiefnemer het VECM verzoekt om een geïntegreerd scopingadvies als de raadpleging in de scopingsfase nog niet heeft plaatsgevonden. In dat geval kan de initiatiefnemer uiteraard de resultaten conform paragraaf 1, punt 2° niet bij de vraag tot geïntegreerd scopingadvies voegen maar zal de initiatiefnemer alsnog de adviesvraag moeten stellen conform paragraaf 2 van dit artikel en zal de initiatiefnemer bij de vraag tot geïntegreerd scopingadvies aan het VECM meedelen welke adviesinstanties conform paragraaf 2 worden bevraagd. Bij de adviesvraag aan de adviesinstanties conform paragraaf 2 vermeldt de initiatiefnemer dat een vraag tot geïntegreerd scopingadvies aan het VECM wordt gesteld. De adviesinstanties beschikken vervolgens over een termijn van dertig dagen om hun scopingadvies zowel aan de initiatiefnemer als aan het VECM te bezorgen.
Tot slot wordt in paragraaf 3 van dit artikel bepaald dat het VECM. nog bijkomende instanties kan raadplegen op eigen initiatief die vervolgens eveneens over een adviestermijn van dertig dagen zullen beschikken. Dit kan gaan om zowel instanties die de initiatiefnemer zou vergeten zijn te raadplegen als om instanties waarvan het VECM nog bijkomend het advies nuttig acht.
Artikel 44.
Ook bij vraag tot geïntegreerde scoping kan de initiatiefnemer een participatiemoment organiseren. Publieke participatie in de scopingsfase is niet verplicht. De initiatiefnemer kan vrijwillig een vorm van publieke participatie in deze fase organiseren en vervolgens kan de initiatiefnemer conform dit artikel de resultaten hiervan aan het VECM en de geraadpleegde adviesinstanties meedelen. Dit is eveneens een mogelijkheid en geen verplichting. Er wordt immers rekening gehouden met het feit dat de vorm van de publieke participatie vrij is en het daardoor niet evident kan zijn om de resultaten hiervan mee te delen. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om in de scopingsfase rekening te houden met de eventuele resultaten van een participatiemoment.
Artikel 45.
Dit artikel bepaalt dat het VECM binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van de adviesvraag het geïntegreerd scopingadvies verleent nadat ze de adviezen heeft ontvangen van de andere geconsulteerde instanties. Ze bezorgt haar advies aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde adviesinstanties.
In het tweede en derde lid van paragraaf 1 wordt de inhoud van het geïntegreerd scopingadvies verduidelijkt. Indien het VECM nog niet eerder in een scopingadvies een beslissing heeft genomen omtrent de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van het voorstel van scoping of aangeduide delen ervan, zal het VECM dit integreren in het geïntegreerd scopingadvies.
Het VECM houdt in het geïntegreerd scopingadvies in ieder geval rekening met de scopingsadviezen van de geraadpleegde instanties. Daarnaast dient het VECM ook rekening te houden met de eventuele resultaten van een publieke participatie als deze ook tijdig door de initiatiefnemer worden bezorgd conform artikel 40 of 44. Voorts bepaalt punt 3° van het tweede lid dat het VECM eveneens met de opmerkingen van bevoegde autoriteiten van betrokken staten en gewesten rekening houdt indien deze op dat ogenblik beschikbaar zijn. Het is ook mogelijk dat pas uit het geïntegreerd scopingadvies duidelijk wordt dat het voorgenomen project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben. In dat geval zullen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten alsnog geraadpleegd kunnen worden conform artikel 46 van dit besluit. In dat geval zal het VECM uiteraard geen rekening kunnen houden met de opmerkingen van de bevoegde autoriteiten in het geïntegreerd scopingadvies.
Tot slot wordt in paragraaf 2 van dit artikel bepaald op welke wijze het VECM het geïntegreerd scopingadvies bekendmaakt aan zowel de initiatiefnemer, de geraadpleegde instanties, het betrokken publiek alsook de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten. Vervolgens zal het VECM het voorstel van scoping en de uitgebrachte adviezen publiek raadpleegbaar maken op haar internetsite, met uitzondering dan van de gegevens die aan de openbaarheid worden onttrokken. I.h.k.v. AVG wordt de publicatie op de internetsite van het VECM beperkt in de tijd tot maximaal dertig dagen na de bekendmaking van de eindbeslissing over de vergunningsaanvraag vermeld in artikel 57 van dit besluit. Op die manier kan het publiek de adviezen consulteren om kennis te nemen van wat voorafging aan de eindbeslissing of voor het instellen van een jurisdictioneel beroep tegen de eindbeslissing zonder dat de informatie onbeperkt in de tijd op de internetsite blijft staan. De termijn komt overeen met de publicatietermijn van de eindbeslissing.
Artikel 46.
Het is ook mogelijk dat pas uit het geïntegreerd scopingadvies duidelijk wordt dat het voorgenomen project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben. In dat geval zullen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten alsnog geraadpleegd worden door hen op de hoogte te brengen van het geïntegreerd scopingadvies. In casu zal het VECM uiteraard geen rekening kunnen houden met de opmerkingen van het bevoegde autoriteiten in het geïntegreerd scopingadvies.
Afdeling 3. Raadpleging over het MER
Onderafdeling 1. Het openbaar onderzoek
Artikel 47.
Conform nieuw artikel 4.4.1. DABM i.v.m. openbaarheid is het voor de initiatiefnemer mogelijk om in elke fase van de milieubeoordeling te verzoeken om bepaalde milieu-informatie volledig of gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Net zoals bij de aanmelding en bij de scoping, wordt ook voor milieubeoordeling een bepaling voorzien in voorliggend besluit dat stelt hoe en wanneer dergelijk verzoek kan worden ingediend en welke betrokken overheidsinstantie dergelijk verzoek behandelt conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Bij de milieubeoordeling zal de initiatiefnemer dergelijk verzoek bij het bezorgen van het project-MER moeten aangeven en meldt daarbij de gronden mee voor de vraag tot onttrekking aan de bekendmaking en terinzagelegging van het ontwerp van project-MER of de aangeduide delen ervan. Het VECM neemt een beslissing over de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van het ontwerp project-MER of aangeduide delen ervan. De initiatiefnemer voegt deze beslissing toe aan zijn vergunningsaanvraag.
De gegevens die aan de openbaarheid mogen worden onttrokken zullen niet voorliggen in het openbaar onderzoek.
Artikel 48.
Conform nieuw artikel 4.4.7. DABM wordt het ontwerp project-MER onderworpen aan een openbaar onderzoek eens de initiatiefnemer deze aan de bevoegde overheid heeft bezorgd, dit wordt ingepast in de vergunningsprocedure die van toepassing is op het project. Conform de MEB-richtlijn dient het openbaar onderzoek binnen een redelijke termijn gehouden te worden.
Dit artikel houdt de modaliteiten in van het openbaar onderzoek en bepaalt o.a. dat de bevoegde overheid verantwoordelijk is voor de aankondiging van het openbaar onderzoek op de internetsite van het VECM en de gemeente of gemeenten waarop het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden. Daarnaast worden voormelde gemeenten eveneens gevraagd de aankondiging via aanplakking bekend te maken op de aanplakplaatsen van de gemeente. Om een breed betrokken publiek te kunnen bereiken zal het immers nodig zijn de aankondiging niet uitsluitend op digitale wijze te voorzien. Op vraag van de VVSG met haar advies van 3 juli 2024 en SARO van 10 juli 2024 wordt er echter niet meer voorzien in een analoge terinzagelegging bij de gemeente daar de gemeente zelf ook alle documenten louter digitaal ontvangt en dit andere een overbodige administratieve last zou zijn.
Alle voormelde aankondigingen bevatten de informatie vermeld in artikel 50.
Voorts bepaalt het tweede lid dat alle voormelde aankondigingen uiterlijk de dag voor de start van het openbaar onderzoek moeten plaatsvinden en minstens gedurende het openbaar onderzoek raadpleegbaar blijven.
Standpunten, opmerkingen en bezwaren over het MER worden via beveiligde zending ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.
In het kader van de bescherming van persoonsgegevens en AVG-regelgeving zal aan bezwaarindieners gevraagd worden om toestemming te geven voor het gebruik van de ingegeven gegevens door de bevoegde overheden en adviesinstanties.
Tot slot voorziet het laatste lid een delegatie aan de minister om indien gewenst modaliteiten te bepalen voor het indienen van opmerkingen vermeld in paragraaf 1 punt 5. Op vraag van de Raad van State in haar advies van 29 augustus 2025 met nr. 78.008/1/V wordt hierbij verduidelijkt dat dit uiteraard beperkt blijft tot technische en detailmatige modaliteiten die praktisch vereist zouden zijn voor het indienen van opmerkingen via een bepaalde weg. Het is niet de bedoeling van deze bepaling dat de minister inhoudelijke voorwaarden kan bepalen voor wanneer de indiening van een standpunt kan worden toegelaten.
Artikel 49.
Dezelfde werkwijze als de omgevingsvergunningsprocedure wordt thans hier ook in de generieke bepalingen voorzien. Als de alternatieven of het projectgebied die onderzocht zijn in het ontwerp project-MER, zich uitstrekken over meer gemeenten dan de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, publiceren de gemeenten waarop de alternatieven of het projectgebied in het ontwerp project-MER betrekking hebben, op verzoek van de bevoegde overheid, een mededeling op hun internetsite. Hierop dienen een aantal elementen vermeld te worden, deze worden opgelijst in dit artikel.
De desbetreffende gemeenten, andere dan de gemeente waar het voorwerp van de aanvraag uitgevoerd zal worden, hebben de verplichting om deze aankondiging te doen en hun publiek te informeren. Doch zijn zij niet verplicht om ook zelf een openbaar onderzoek te organiseren. Zij kunnen verwijzen naar het openbaar onderzoek van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden. Daarom dat het van belang is dat die informatie in de mededeling wordt opgenomen en dat deze mededeling voor de start van het openbaar onderzoek dient te worden gedaan. Op die manier wordt een zo ruim mogelijke participatie gegarandeerd.
Artikel 50.
Dit artikel bepaalt de inhoud van de tekst van de bekendmaking vermeld in artikel 48.
Het is niet nodig dat op het ogenblik van de aankondiging reeds de vergunningsaanvraag en het ontwerp project-MER aan de aankondiging toegevoegd wordt. Het kan volstaan dat in de aankondigingen verwezen wordt naar de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek, de plaats waar de documenten ter inzage zullen liggen tijdens het openbaar onderzoek en de plaats waar de documenten ook digitaal zullen kunnen worden geraadpleegd tijdens het openbaar onderzoek. Tot slot zal de bevoegde overheid bepalen op welke wijze het publiek zijn opmerkingen kenbaar kan maken en kan bezorgen vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek en zal daarbij rekening moeten houden dat het publiek ook op analoge wijze zal moeten kunnen reageren.
Artikel 51.
Bij het einde van het openbaar onderzoek is de gemeente vervolgens verplicht om de ingediende bezwaren, opmerkingen en standpunten aan de bevoegde overheid en het VECM te bezorgen en dit uiterlijk tien dagen na het einde van het openbaar onderzoek zodat er terdege rekening mee kan worden gehouden.
Onderafdeling 2. Adviesverlening
Artikel 52.
De raadpleging over het project-MER houdt niet alleen de raadpleging in van het publiek via openbaar onderzoek maar ook de raadpleging van de nodige adviesinstanties en de uiteindelijke goed- of afkeuring door het VECM.
De bevoegde overheid vraagt aan de relevante instanties, die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen om advies, tenzij ze de initiatiefnemer zelf zijn. Een lijst van mogelijks relevante instanties is opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit. Het is niet nodig dat alle adviesinstanties uit deze lijst om advies worden gevraagd. Conform nieuw artikel 4.4.7, §2, DABM, gaat de adviesvraag over zowel het project-MER als de vergunningsaanvraag zodat het VECM niet ook nog eens advies moet vragen en de relevante adviesinstanties twee maal om advies gevraagd worden in één procedure. De adviesinstanties worden via beveiligde zending om advies gevraagd.
De bevoegde overheid bezorgt de verleende adviezen aan het VECM. Het VECM brengt dus, in tegenstelling tot de plan-MER-procedure, geen advies uit. Het VECM dient enkel gelijktijdig het project-MER samen met de vergunningsaanvraag te ontvangen om hierover een beslissing tot goed- of afkeuring te nemen, zie artikel 54 en 55.
Paragraaf 3 geeft uitvoering aan artikel 4.4.7, §5, DABM. De uitgebrachte adviezen dienen publiekelijk raadpleegbaar te zijn. Dit is ook in lijn met de verplichtingen die uit de MEB-richtlijn voortvloeien. I.h.k.v. AVG en de adviezen niet onnodig lang publiek beschikbaar te houden op de internetsites wordt zowel een minimum als maximumtermijn voorzien. De termijnen waarin de adviezen beschikbaar zijn zijn afgestemd op de bekendmakingstermijnen van de eindebeslissing over de vergunningsaanvraag. Deze dient minstens dertig dagen raadpleegbaar te zijn en maximaal 60 dagen. Dit komt overeen met de termijnen om beroep administratief of jurisdictioneel beroep te kunnen indienen bij bv de Raad voor Vergunningsbetwistingen (45 dagen) of de Raad van State (60 dagen).
Onderafdeling 3. Grensoverschrijdende consultatie
Artikel 53.
Als laatste onderdeel van de raadpleging zijn er in voorkomend geval ook de instanties en burgers van de betrokken staten of gewesten die mogelijks grensoverschrijdende milieueffecten zouden kunnen ondervinden van het voorgenomen project. In voorkomend geval dienen deze geconsulteerd te worden. Zelfs indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten niet gereageerd hebben op de vraag tot deelname in de aanmeldingsfase en/of scopingsfase dienen zij geconsulteerd te worden in de fase van de raadpleging over het project-MER. Dit vloeit voort uit artikel 7 MEB-richtlijn en de verplichtingen uit het ESPOO Verdrag. Het is tevens mogelijk dat pas in de fase van de raadpleging, bij het opvragen en ontvangen van de adviezen bijvoorbeeld, zou blijken dat er sprake zou zijn van grens- en gewestgrensoverschrijdende effecten, dan dienen daartoe de nodige stappen te worden ondernomen. Het is ook nog mogelijk dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daar in deze fase ook om zouden vragen.
Dit artikel bepaalt de modaliteiten van deze grensoverschrijdende consultatie in uitvoering van artikel 4.4.7, §4, DABM.
Om geen ongelijkheid te laten ontstaan tussen de burgers en instanties op het Vlaams grondgebied en de burgers en instanties van de betrokken staten of gewesten, worden de modaliteiten van de grensoverschrijdende consultatie afgestemd op de raadpleging van onderafdeling 1 en 2 (openbaar onderzoek en adviesverlening) van deze afdeling i.v.m. raadpleging. Dit betekent dat de informatie uit artikel 50, tweede lid, van dit besluit tegelijkertijd wordt bekendgemaakt aan zowel de burgers van de gemeente(n) waarop het voorgenomen project uitgevoerd zal worden of effecten kan hebben alsook aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten en gewesten en dit ook uiterlijk de dag voor de start van het openbaar onderzoek. Bij de start van het openbaar onderzoek worden de documenten, o.a. de vergunningsaanvraag en het project-MER, ter beschikking gesteld van het publiek.
Het is dan aan deze bevoegde autoriteiten om deze informatie aan haar eigen instanties en burgers door te geven conform de verplichtingen uit de MEB-richtlijn. Het betrokken publiek van de betrokken staat of gewest kan er voor opteren om te reageren op het openbaar onderzoek dat georganiseerd wordt door de Vlaamse gemeente van het grondgebied waarop het project zal worden uitgevoerd, of de bevoegde autoriteiten organiseren hun eigen openbaar onderzoek. Dan zal het zaaks zijn dat zij tijdig hun reacties terug bezorgen aan de bevoegde overheid en het VECM zodat zij hier terdege rekening mee kunnen houden. Om die reden is er een termijn van 50 dagen voorzien. Indien er binnen de vooropgestelde termijn geen reacties binnenkomen dan loopt de procedure gewoon verder, er wordt niet gewacht om de volgende stappen in de procedure te zetten. Wél is het mogelijk dat de bevoegde overheid en de bevoegde autoriteit(en) overleg plegen over de maatregelen die worden overwogen om de grensoverschrijdende effecten te beperken.
Ook de adviezen, standpunten of opmerkingen worden door de bevoegde overheid aan het VECM bezorgd zodat zij hier conform artikel 4.4.7, §3, DABM rekening mee kunnen houden bij het nemen van hun beslissing over het project-MER. Zie artikel 54 en 55 van dit besluit.
Onderafdeling 4. Beslissing over het MER
Artikel 54.
Na afsluiting van het openbaar onderzoek en nadat het VECM de nodige informatie heeft ontvangen waarmee zij rekening dient te houden bij het nemen van haar beslissing over het project-MER conform nieuw artikel 4.4.7, §3, lid 2, DABM, toetst het VECM het project-MER aan de elementen, vermeld in artikel 4.4.7, §3, tweede lid, DABM. Dit leidt tot de beslissing tot goedkeuring of afkeuring van het project-MER.
Gelet op nieuw artikel 4.4.7, §3, lid 2, punten 3° en 4°, DABM, kan het VECM de toetsing pas uitvoeren eens zij tijdig alle resultaten van het openbaar onderzoek en de grensoverschrijdende consultatie heeft ontvangen, alsook de adviezen van de geraadpleegde instanties. Indien het VECM opmerkt dat er nog instanties zijn die zij relevant acht bovenop de reeds geconsulteerde adviesinstanties o.b.v. artikel 52 van dit besluit, of indien er adviesinstanties vergeten zouden zijn, dan kan het VECM nog om deze adviezen vragen.
Zie ook memorie van toelichting bij wijzigingsbepaling artikel 44 van het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Artikel 55.
Dit artikel bepaalt de modaliteiten van de goedkeuring of afkeuring van het project-MER door het VECM en geeft dus uitvoering aan nieuw artikel 4.4.7, §3, lid 5 en 6, DABM.
Het VECM heeft een termijn van 60 dagen om een beslissing te nemen over het project-MER. De inhoud ervan wordt bepaald door artikel 4.4.7, §3, DABM. Zie voor meer uitleg memorie van toelichting bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Paragraaf 2 van dit artikel bepaalt de wijze waarop en aan wie de beslissing over het project-MER moet worden ter beschikking gesteld. Uiteraard horen daarbij de initiatiefnemer en de bevoegde overheid bij maar ook de geraadpleegde instanties, zo dus ook de eventueel geraadpleegde bevoegde autoriteiten. De bekendmaking aan het publiek wordt geregeld in volgend artikel 56.
Onderafdeling 5. Bekendmaking van de resultaten van de raadpleging over het MER
Artikel 56.
Dit artikel geeft verder uitvoering aan nieuw artikel 4.4.7, §5, DABM en sluit aan bij de bepalingen van de MEB-richtlijn betreffende de actieve openbaarheid van de stukken die tijdens de milieubeoordelingsprocedure zijn neergelegd of ontstaan en de uiteindelijke beslissing van het VECM over het project-MER. Hierbij speelt de digitalisering een grote rol door meer transparantie te bieden tijdens de besluitvorming, door actieve openbaarheid te bieden voor alle stukken/adviezen en beslissingen die tijdens de besluitvorming worden uitgebracht of genomen. Dit is ook in lijn met de verplichtingen die uit de MEB-richtlijn voortvloeien.
I.h.k.v. AVG en de adviezen niet onnodig lang publiek beschikbaar te houden op de internetsites wordt zowel een minimum als maximumtermijn voorzien. De termijnen waarin de adviezen beschikbaar zijn zijn afgestemd op de bekendmakingstermijnen van de eindebeslissing over de vergunningsaanvraag. Deze dient minstens 30 dagen raadpleegbaar te zijn en maximaal 60 dagen. Dit komt overeen met de termijnen om beroep administratief of jurisdictioneel beroep te kunnen indienen bij bv de Raad voor Vergunningsbetwistingen (45 dagen) of de Raad van State (60 dagen).
Hoofdstuk 7. De beslissing
Artikel 57.
Nieuw artikel 4.4.9. DABM bepaalt hoe het resultaat van de milieubeoordeling doorwerkt in de besluitvorming en hoe de informatieverstrekking over het besluit over de vergunningsaanvraag voor een milieubeoordelingsplichtig project moet gebeuren. Dit artikel geeft uitvoering aan paragraaf 5 van artikel 4.4.9. DABM en bepaalt de verdere modaliteiten en termijnen voor het nemen van de beslissing over de vergunningsaanvraag en hoe en aan wie de vergunningsbeslissing moet worden bekendgemaakt.
De bevoegde overheid is verantwoordelijk om de informatie, vermeld in artikel 4.4.9, §2, DABM aan de geraadpleegde instanties, het publiek en in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten te bezorgen. De bevoegde overheid doet dit via beveiligde zending (bv. email). Ook de initiatiefnemer wordt uiteraard op de hoogte gebracht van de beslissing.
De informatie zal minstens 30 dagen raadpleegbaar blijven. Gezien dit een generieke bepaling is van toepassing om het even welke vergunningsbeslissing, is dit een zo ruim mogelijke termijn om rekening te houden met eventuele beroepstermijnen tegen de definitieve vergunningsbeslissing bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
De bevoegde overheid zal er niet alleen voor zorgen dat de informatie door het publiek raadpleegbaar zal zijn op haar eigen internetsite, maar zal ook het VECM en de gemeente of gemeenten waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden verzoeken de informatie te publiceren op hun internetsite. Op vraag van de VVSG met haar advies van 3 juli 2024 en SARO van 10 juli 2024 wordt er echter niet meer voorzien in een analoge terinzagelegging bij de gemeente daar de gemeente zelf ook alle documenten louter digitaal ontvangt en dit andere een overbodige administratieve last zou zijn.
Wél zal de bevoegde overheid voormelde gemeenten eveneens verzoeken bij aanplakking, die minstens 30 dagen duurt, bekend te maken waar deze informatie kan worden geraadpleegd.
I.h.k.v. AVG en de adviezen niet onnodig lang publiek beschikbaar te houden op de internetsites wordt zowel een minimum als maximumtermijn voorzien. Deze dient minstens 30 dagen raadpleegbaar te zijn en maximaal 60 dagen. Dit komt overeen met de termijnen om beroep administratief of jurisdictioneel beroep te kunnen indienen bij bv de Raad voor Vergunningsbetwistingen (45 dagen) of de Raad van State (60 dagen). Op die manier heeft het publiek tijd om zich te informeren en eventueel beroep in te stellen en daarvoor de nodige documenten/informatie te raadplegen. De maximale termijn zorgt ervoor dat naderhand de persoonsgegevens niet onnodig lang publiek beschikbaar worden gehouden.
TITEL 4. MILIEUEFFECTEN VAN ACTIES VAN ANDERE STATEN, GEWESTEN OF FEDERALE OVERHEID
Artikel 7 van de MEB-richtlijn schrijft voor dat een lidstaat op wiens grondgebied een actie wordt beoogd die mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende effecten genereert, de lidstaten aanschrijft waar deze grensoverschrijdende effecten zich kunnen voordoen. Omgekeerd moet deze laatste te kennen geven of zij wenst deel te nemen aan de milieubeoordelingsprocedure in de lidstaat op wiens grondgebied de actie wordt beoogd. Aldus moet de lidstaat op wiens grondgebied er zich aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten kunnen voordoen, in een procedure voorzien om deel te nemen aan het grensoverschrijdend overleg.
De bepalingen van artikel 58 t.e.m. 66 zijn van toepassing op het geval waarbij een plan of project waaraan een MER-plicht is verbonden wordt uitgevoerd op het grondgebied van een ander gewest, een andere Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo of het Protocol van Kiev, een andere lidstaat van de Europese Unie of in marien gebied onder bevoegdheid van de federale overheid en mogelijks aanzienlijke milieueffecten teweeg kan brengen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en al dan niet genotificeerd wordt aan het departement of een bevoegd bestuur.
Als een instantie met bevoegdheid op het Vlaams grondgebied (m.a.w. iedere overheid inclusief de gemeenten of de administratie van het Vlaamse Gewest) vaststelt dat er zich grens- of gewestgrensoverschrijdende effecten kunnen voordoen op haar grondgebied of als zij daarvan op de hoogte wordt gesteld door de bevoegde autoriteiten van een Verdragspartij, een andere lidstaat of een ander gewest, informeert zij het departement. De bedoeling is dat alles rond grensoverschrijdende consultatie gekanaliseerd wordt bij het departement Omgeving zodat zij het overzicht bewaart en in principe het eerste aanspreekpunt is. Het departement Omgeving, dat zelf het ESPOO focal point omvat voor Vlaanderen, zal dan ook het ESPOO focal point contacteren van de betrokken staat of gewest om mee te delen of zij wenst deel te nemen aan de milieubeoordelingsprocedure.
Het departement zal dan in tweede instantie de betrokken gemeente(n), de nodige adviesinstanties en het betrokken publiek in het Vlaamse Gewest informeren over het voorgenomen plan of project. Daarbij zal het departement dan meedelen op welke wijze de mogelijkheid wordt geboden om zich uit te spreken over de ontvangen informatie. Gezien dit afhangt van de regelgeving en snelheid van het andere gewest of staat is het niet mogelijk om een termijn op te nemen in het besluit en zal er verwezen worden naar de door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn (tevens vermeld op de website van het departement). Indien zou blijken dat die termijn niet redelijk is zal het departement contact opnemen met de bevoegde autoriteit om te trachten een nieuwe termijn overeen te komen.
Het departement kan zelf ook rechtstreeks advies uitbrengen aan de betrokken staat of gewest.
In fine zal het betrokken publiek op Vlaams grondgebied, de betrokken gemeente(n) en de geraadpleegde adviesinstanties ook op de hoogte moeten worden gebracht van de beslissing van de bevoegde autoriteiten over het voorgenomen plan of project. Het departement staat hiervoor in door publicatie op haar website. Dit is voorzien in artikel 66 van het besluit. De bekendmaking van een beslissing kan dan vervolgens gebeuren door de publicatie op de gemeentelijke website en een terinzagelegging in het gemeentehuis van de gemeente.
De bepalingen 59 t.e.m. 66 zijn een overname van de bepalingen opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2023 tot regeling van de grensoverschrijdende raadpleging bij milieueffectbeoordeling van projecten van andere landen of gewesten, vermeld in artikel 4.3.9, §5, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Voormeld besluit wordt tevens opgeheven met voorliggend besluit, zie artikel 156.
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 58.
Om enige verwarring met het begrip “grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten” die in titel 2 en 3 van dit besluit wordt gebruikt, wordt in dit artikel verduidelijkt wat er onder het begrip “grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten” in deze titel moet worden verstaan. Titel 4 van dit besluit betreft namelijk de grensoverschrijdende consultatie van plannen en projecten die zich over de grens voordoen met mogelijks milieueffecten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. In het kader van het Protocol van Kiev en de SMEB-richtlijn als ook het Espoo verdrag en de MEB-richtlijn dient het Vlaamse Gewest geconsulteerd te worden.
Het begrip notificatie wordt enkel in deze titel 4 van het besluit gebruikt, om die reden wordt de definitie ervan in dit artikel opgenomen. De notie notificatie wordt gehanteerd als overkoepelende term die elke soort van kennisgeving, informatie-uitwisseling, melding, ter beschikkingstelling van informatie enz. die door een bevoegd bestuur ontvangen wordt van een andere verdragspartij bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991, de andere lidstaat van de Europese Unie, het ander gewest of de federale overheid.
Artikel 7 lid 1 van de MEB-richtlijn schrijft voor dat een lidstaat op wiens grondgebied een actie wordt beoogd die mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende effecten genereert, de lidstaten aanschrijft waar deze grensoverschrijdende effecten zich kunnen voordoen en geeft zij daarbij op zijn minst een beschrijving van het project mee, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan alsook informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen. Dit zijn puntje a) en b) van de notificatie.
Voormelde bepaling stelt in haar tweede lid ook dat als een lidstaat aangeeft dat hij voornemens is aan de in bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, “zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe die krachtens artikel 6, lid 2, moet worden verstrekt en die krachtens artikel 6, lid 3, onder a) en b), ter beschikking moet worden gesteld.”. Met andere woorden, de bevoegde autoriteit in kwestie kan ook reeds meer informatie of alle informatie zoals bedoeld in artikel 6 MEB-richtlijn meedelen aan een bevoegd bestuur van het Vlaams gewest of het departement. Om die reden is er voor gekozen om al deze elementen, zowel uit artikel 7 als artikel 6, op te nemen in de definitie van notificatie. Met notificatie wordt dus eigenlijk alle informatie bedoeld die het bevoegd bestuur of het departement zou ontvangen hebben en omvat ook het project-MER.
Voor plannen en programma’s is een gelijkaardige bepaling te vinden in artikel 7 SMEB-richtlijn.
Hoofdstuk 2. Inspraak in de milieubeoordeling van de acties van andere staten, gewesten en de federale overheid
Artikel 59.
Dit artikel beoogt de situatie waarbij het departement of een bevoegd bestuur van het Vlaams gewest genotificeerd wordt over een actie die een project-MER of plan-MER omvat met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. In principe wordt er tussen lidstaten gecommuniceerd over dergelijke projecten via het ESPOO focal point. Maar uit praktijk is gebleken dat de informatie via verschillende kanalen kan doorsijpelen. Zo werden in het verleden gemeenten en provincies genotificeerd, of zelfs ministers van de Vlaamse Regering alsook de Vlaamse Regering zelf. De bedoeling is echter dat het departement Omgeving, dat het ESPOO focal point bevat, op de hoogte is van iedere actie waaraan een project- of plan-MER-plicht is verbonden met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. Om die reden wordt met dit artikel de verplichting ingevoegd aan elk bevoegd bestuur om elke notificatie door te sturen naar het departement zodat zij het overzicht kan bewaren.
Waarna het departement nagaat of zij op basis van de ontvangen informatie kan oordelen of zij wenst deel te nemen aan de milieubesluitvormingsprocedure over de voorgenomen actie. Indien het departement vaststelt dat zij over onvoldoende informatie beschikt dan vraagt zij deze op.
Ten slotte brengt het departement de bevoegde autoriteit op de hoogte van haar beslissing om deel te nemen aan de genotificeerde milieubesluitvormingsprocedure en vraagt daarbij eventueel nog bijkomende informatie op als zij dat nodig acht of als niet alle nodige informatie bij de eerste notificatie was gevoegd. Zij kan zich daarbij baseren op de lijst van informatie die in een notificatie kan worden opgenomen (zie definitie notificatie).
Artikel 60.
Dit artikel beoogt de situatie waarbij het departement of een bevoegd bestuur niet genotificeerd wordt door een bevoegde autoriteit. Het is mogelijk dat een bevoegd bestuur, via een ander kanaal, wel op de hoogte is van een actie die een project-MER of plan-MER omvat met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. De bedoeling is echter dat het departement Omgeving, dat het ESPOO focal point bevat, op de hoogte is van ieder project waaraan een project-MER-plicht is verbonden of ieder plan of programma waaraan een plan-MER is verbonden met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. Om die reden wordt met dit artikel de verplichting ingevoegd aan elk bevoegd bestuur om dergelijke informatie door te geven aan het departement.
Vervolgens vraagt het departement dan de bevoegde autoriteiten om een notificatie te ontvangen van het voorgenomen project met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. Zij kan zich daarbij baseren op de lijst van informatie die in een notificatie kan worden opgenomen (zie definitie notificatie).
Ten slotte brengt het departement de bevoegde autoriteit op de hoogte van haar beslissing om deel te nemen aan de genotificeerde milieubesluitvormingsprocedure en vraagt daarbij eventueel nog bijkomende informatie op als zij dat nodig acht of als niet alle nodige informatie bij de eerste notificatie was gevoegd. Zij kan zich daarbij baseren op de lijst van informatie die in een notificatie kan worden opgenomen (zie definitie notificatie).
Artikel 61.
Dit artikel beoogt de situatie waarbij het departement noch wordt genotificeerd noch op de hoogte wordt gebracht door een bevoegd bestuur maar zelf een actie detecteert die een project-MER of plan-MER omvat met mogelijks grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten. In die gevallen vraagt het departement dan de bevoegde autoriteiten om een notificatie te ontvangen van het voorgenomen project.
Op basis van de ontvangen informatie brengt het departement de bevoegde autoriteit op de hoogte van haar beslissing om deel te nemen aan de genotificeerd milieubesluitvormingsprocedure en vraagt daarbij eventueel nog bijkomende informatie op als zij dat nodig acht of als niet alle nodige informatie bij de eerste notificatie was gevoegd. Zij kan zich daarbij baseren op de lijst van informatie die in een notificatie kan worden opgenomen (zie definitie notificatie).
Artikel 62.
De volgende stap na de notificatie is alle ontvangen informatie digitaal ter beschikking te stellen van het publiek, waarvan informatie opgenomen in het openbaar onderzoek. Eens het departement over alle nodige informatie beschikt en geïnformeerd wordt over de publieke participatie door de bevoegde autoriteit, dan heeft het departement de taak om het publiek hiervan op de hoogte te brengen. Zij stelt de ontvangen informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking conform de bepalingen van artikel 7 lid 3 MEB-richtlijn en artikel 7 lid 2 SMEB-richtlijn.
Dit artikel houdt met andere woorden in dat alle informatie die ingevolge van artikel 59 t.e.m. 61 ontvangen werd door het departement ter beschikking van het publiek moet worden gesteld. Het gaat hier dus om alle genotificeerde informatie door de bevoegde autoriteiten, wat wil zeggen zowel de uit eigen initiatief van de bevoegde autoriteiten genotificeerde informatie alsook de aanvullende of bijkomende informatie die door het departement werd opgevraagd conform artikel 59, vierde lid, artikel 60, derde lid, en artikel 61, tweede lid van voorliggend besluit. Hierbij kan bijvoorbeeld voor projecten met project-MER gedacht worden aan gevallen waarbij een eerste notificatie enkel een beschrijving van de actie en informatie over de aard van de beslissing die kan genomen worden wordt meegedeeld (punten a) en b) uit de definitie van de notificatie), en het departement dan bijkomende informatie opvraagt om de notificatie te vervolledigen eens zij meegedeeld heeft deel te willen nemen aan de milieubesluitvormingsprocedure. De bevoegde autoriteit is dan verplicht om conform de MEB-richtlijn alle overige informatie door te sturen, dit gaat dan om de punten c) t.e.m. j) uit de definitie van de notificatie. Deze informatie omvat dan niet alleen de vergunningsaanvraag maar ook het project-MER.
Het is al deze ontvangen informatie die in gelijk welk geval van artikel 59, 60 of 61 ter beschikking moet worden gesteld van het publiek. De informatie die deel uitmaakt van het openbaar onderzoek, moet op een centraal portaal ter beschikking worden gesteld. Op dit portaal wordt ook de termijn waarin, de wijze waarop en de contactgegevens van de bevoegde autoriteit waarbij het betrokken publiek de gelegenheid krijgt om zich uit te spreken over de ter beschikking gestelde informatie. Op die manier is het publiek voldoende geïnformeerd en krijgt zij de kans om opmerkingen rechtstreeks te formuleren aan de bevoegde autoriteit.
De informatie die deel uitmaakt van het openbaar onderzoek blijft minstens gedurende de looptijd van de publieke consultatie van de bevoegde autoriteit beschikbaar op het centraal portaal. De Vlaamse Regering kan hier zelf geen termijn op plakken omdat zij geen vat heeft op hoe lang het openbaar onderzoek in de andere staat of gewest zou duren of hoe lang de bevoegde autoriteit op voorhand de publieke participatie meldt of laat lopen. Het departement kan dus alleen maar de termijn meedelen die zij ontvangen heeft door de bevoegde autoriteit en dit binnen een redelijke termijn bekend maken aan haar publiek zodat deze hieraan deel kunnen nemen ongeacht hoe lang deze publieke participatie zou duren. Als echter zou blijken dat de vooropgestelde termijn door de bevoegde autoriteit onredelijk is neemt het departement contact op met de bevoegde autoriteit en wordt er getracht een andere termijn overeen te komen die wel redelijk is om inspraak te kunnen garanderen. Als maatstaf werd gekozen voor een minimumtermijn van 14 dagen. Op die manier wordt inspraak gegarandeerd.
Artikel 63.
Eens het departement over alle nodige informatie beschikt en geïnformeerd wordt over de publieke participatie door de bevoegde autoriteit, en nadat het departement de ontvangen informatie publiek heeft gemaakt, dient zij ook nog de betrokken gemeente of gemeenten op wiens grondgebied de voorgenomen actie mogelijks aanzienlijke milieueffecten kan hebben te informeren. Zij stelt de ontvangen informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking, conform de bepalingen van artikel 7 lid 3 MEB-richtlijn en artikel 7 lid 2 SMEB-richtlijn, en vermeldt daarbij de termijn waarin, de wijze waarop en de contactgegevens van de bevoegde autoriteit waarbij het betrokken publiek en de gemeente of gemeenten de gelegenheid krijgen om zich uit te spreken over de ter beschikking gestelde informatie.
Er wordt verwezen naar de uitleg bij artikel 62 voor wat betreft wat verstaan moet worden onder de ingevolge artikel 59, 60, en 61 ontvangen informatie.
De gemeente of gemeenten dienen dan de ontvangen informatie binnen een redelijke termijn:
1° te publiceren op hun website gedurende de looptijd van de in artikel 62 vermelde publieke participatie;
2° analoog of digitaal ter inzage te leggen in het gemeentehuis gedurende de looptijd van de in artikel 62 vermelde publieke participatie.
De reden hiertoe is om zoveel als mogelijk bereik te hebben over de publicatie. Hoewel artikel 62 reeds bepaalt dat de informatie op een centraal portaal wordt geplaatst lijkt het aangewezen dat ook de betrokken gemeente(n) de ontvangen informatie publiceert en ter beschikking stelt in haar gemeentehuis om er zeker van te zijn dat er zoveel als mogelijk burgers op de hoogte zijn van een actie met mogelijks grensoverschrijdende effecten. Een website van een lokaal bestuur lijkt hiervoor het aangewezen kanaal.
Uit de praktijk blijkt dat het niet mogelijk is om binnen het kort tijdsbestek de gemeente(n) zelf een openbaar onderzoek te laten organiseren over een voorgenomen project en binnen een redelijke termijn die inspraak dan ook nog eens te coördineren. Om de burgers voldoende garanties en tijd te bieden op inspraak wordt ervoor geopteerd om de gemeente(n) en burgers zelf rechtstreeks contact te laten nemen met de bevoegde autoriteit en de opmerkingen dus rechtstreeks te laten versturen naar de bevoegde autoriteiten en dus niet via het departement. Idem voor de gemeente(n), zij stuurt/sturen zelf hun advies op naar de bevoegde autoriteit. Wel is het nodig dat het departement hiervan op de hoogte is om het overzicht te bewaren.
Artikel 64.
Nadat het departement de ontvangen informatie publiek heeft gemaakt dient zij ook nog de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met de actie te maken kunnen krijgen te informeren en te vragen een advies uit te brengen. Men denkt hier bijvoorbeeld aan de verschillende agentschappen en adviesinstanties die voor omgevingsvergunningen om advies gevraagd worden (art. 35 en 38 Omgevingsvergunningenbesluit) maar ook de provincies kunnen om advies gevraagd worden.
Ook hier stelt zij de ontvangen informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking conform de bepalingen van artikel 7 lid 3 MEB-richtlijn en artikel 7 lid 2 SMEB-richtlijn en vermeldt daarbij de termijn waarin, de wijze waarop en de contactgegevens van de bevoegde autoriteit waarbij de betrokken instanties de gelegenheid krijgen om zich uit te spreken over de ter beschikking gestelde informatie.
Er wordt verwezen naar de uitleg bij artikel 62 voor wat betreft wat verstaan moet worden onder de ingevolge artikel 59, 60 en 61 ontvangen informatie.
Ook hier wordt er geopteerd om de adviezen niet te laten coördineren door het departement Omgeving en de adviesinstanties zelf rechtstreeks contact te laten nemen met de bevoegde autoriteit en zelf hun adviezen naar de bevoegde autoriteit te laten sturen. Wel is het nodig dat het departement hiervan op de hoogte is om het overzicht te bewaren. In sommige gevallen kan coördinatie echter wenselijk zijn m.a.w. om met één stem vanuit het Vlaams Gewest advies uit te brengen. Dan zal het departement ook aangeven wanneer de adviezen toch eerst naar het departement moeten worden gestuurd ter coördinatie.
Artikel 65.
Dit artikel beoogt ten slotte dat ook het departement zelf nog een advies kan uitbrengen over de genotificeerde informatie, o.a. de actie en het project- of plan-MER. Zij kan hier tevens rekening houden met de adviezen die zij ten gevolge van artikel 63 lid 4 en artikel 64 lid 2 zou hebben ontvangen van de gemeente(n), provincie of andere adviesinstanties. Dit wil echter niet zeggen dat zij deze adviezen zal coördineren (tenzij in uitzonderlijke gevallen, zie artikel 64, lid 2). Zoals gesteld onder artikel 64 is het nog steeds de bedoeling dat de geraadpleegde instanties zelf hun advies overmaken aan de bevoegde overheid maar het staat het departement wel vrij om rekening te houden met andere adviezen of ernaar te verwijzen. Het departement kan op ieder moment van de milieubesluitvormingsprocedure bijkomende informatie opvragen voor de opmaak van haar advies te faciliteren.
Er wordt verwezen naar de uitleg bij artikel 62 voor wat betreft wat verstaan moet worden onder de ingevolge artikel 59, 60 en 61 ontvangen informatie.
Het departement stuurt rechtstreeks haar advies naar de bevoegde overheid binnen de door deze laatste vooropgestelde termijn.
Hoofdstuk 3. Bekendmaking van de beslissing over acties van andere staten, gewesten en de federale overheid
Artikel 66.
Dit artikel beoogt de omzetting van artikel 9 lid 2 MEB-richtlijn dat het volgende stelt:
“De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie toekomen.
De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking wordt gesteld van het betrokken publiek op hun grondgebied.”
Dit artikel bepaalt de verplichtingen die uit voormeld artikel van de MEB-richtlijn voortvloeien, met name de verplichtingen van het departement en in voorkomend geval de bevoegde besturen om de ontvangen informatie m.b.t. de beslissing over een vergunningsaanvraag die een project-MER omvat van een project met mogelijks grens- en gewestgrensoverschrijdende effecten ter beschikking te stellen van het publiek.
Voor plan-MER zijn er gelijkaardige verplichtingen te vinden in artikel 9 van de SMEB-richtlijn.
Artikel 66 bepaalt daarbij twee gevallen:
- Het departement ontvangt de informatie m.b.t. de beslissing van de bevoegde autoriteit zelf: zij publiceert die digitaal op haar website binnen een redelijke termijn en vraagt de betrokken gemeente om de informatie te publiceren;
- Het bevoegde bestuur ontvangt de informatie m.b.t. de beslissing van de bevoegde autoriteit zelf: zij brengt het departement hiervan op de hoogte. Het departement publiceert die digitaal op haar website binnen een redelijke termijn en brengt de betrokken gemeente of gemeenten op de hoogte. De betrokken gemeente gaat dan over tot bekendmaking van de informatie;
- Indien het bevoegde bestuur een betrokken gemeente is dan brengt deze het departement op de hoogte en publiceert zij vervolgens de ontvangen informatie op zijn website en legt ter inzage in het gemeentehuis. Dit om dubbele administratieve handelingen te vermijden.
De informatie blijft minstens gedurende een periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de publicatie, beschikbaar. Deze termijnen zijn geïnspireerd op de termijnen die worden gehanteerd in het Omgevingsvergunningenbesluit voor het publiceren van de beslissing over de omgevingsvergunningsaanvraag. De termijn van ter beschikking stelling van de vergunningsbeslissing bedraagt dertig dagen tenzij de vergunningsbeslissing een beroepstermijn meedeelt die langer is dan dertig dagen. In dat laatste geval zal de vergunningsbeslissing gedurende die termijn ter beschikking worden gesteld via een centraal portaal.
Op vraag van de VVSG met haar advies van 3 juli 2024 en SARO van 10 juli 2024 wordt er echter niet meer voorzien in een analoge terinzagelegging bij de gemeente daar de gemeente zelf ook alle documenten louter digitaal ontvangt en dit andere een overbodige administratieve last zou zijn.
TITEL 5. GEGEVENSVERWERKING
Deze titel werd ingevoerd gelet op de recentelijke ontwikkelingen m.b.t. de AVG-regelgeving en de rechtspraak die zich daarover heeft ontwikkeld. Gezien er in voorliggend besluit gegevens worden uitgewisseld dringen een aantal bepalingen zich op te bescherming van de persoonsgegevens. Het advies van de Vlaamse Toezichtcommissie van 9 september 2025 met nr. 2025/047 was gunstig.
Artikel 67.
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Elke verwerking van persoonsgegevens moet rechtmatig zijn en daarom steunen op een rechtsgrondslag in de zin van artikel 6 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming, hierna ‘AVG’).
Artikel 68.
Dit artikel beoogt een aantal bepalingen rond de bescherming van de persoonsgegevens op te nemen.
Voor de overheden zijn in principe enkel artikel 6.1, c) en e) AVG een mogelijke grondslag:
“c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;”
“e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;”
[…]
Rekening gehouden met artikel 6.3, AVG, samen gelezen met artikel 8 EVRM en artikel 22 van de Grondwet en om onzekerheid over de rechtmatigheid van de verwerkingen te vermijden, beveelt de VTC aan dat bij voorkeur de decreten die verwerkingen in de zin van artikel 6.1, punt c) of punt e), AVG omkaderen, de volgende essentiële elementen van die verwerkingen vermelden :
• het doel van de verwerking;
• de types of categorieën van te verwerken persoonsgegevens; Deze gegevens moeten bovendien beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking” - zie artikel 5.1, c), AVG) ;
• de categorieën betrokkenen;
• de entiteiten waaraan en doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt;
• de opslagperioden (bewaartermijnen - zie ook artikel 5.1, e), AVG);
• de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke(n) .”
Met dit artikel is getracht om voormelde essentiële elementen op te nemen in één overzichtelijke bepaling.
Het moet echter worden opgemerkt dat de procedures zoals omschreven in voormeld besluit inhaken op procedures voor de opmaak van plannen of programma’s of voor de vergunningverlening van projecten die geregeld zijn door de toepasselijke sectorale regelgeving. Voormelde bepalingen regelen dan ook uitsluitend de essentiële elementen voor de verwerking van de gegevens in het kader van de m.e.r.-procedures zoals omschreven in dit besluit.
In paragraaf 1 van dit artikel wordt bepaald dat het departement Omgeving zal optreden als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van dit besluit.
De verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de persoonsgegevens voor taken van algemeen belang, in de zin van artikel 6, lid 1, e), van de AVG, m.n. voor de doeleinden zoals omschreven in het tweede lid van deze paragraaf. De verwerking van de gegevens door het departement Omgeving en de bevoegde overheden is noodzakelijk zijn voor het volgen van de vereiste stappen in het kader van de m.e.r.-procedures zoals omschreven in deze bepalingen, en om de voorgeschreven beslissingen in deze procedures met kennis van zaken te nemen. De gegevens, waaronder persoonsgegevens, die opgevraagd worden in het kader van een milieubeoordelingsproces hebben tot doel om de overheid de nodige informatie en kennis te verschaffen over het project dat aangevraagd wordt en de impact ervan op de omgeving zodat zij met kennis van zaken kan oordelen over de aanvraag. Om deze reden kan het ook vereist zijn dat bepaalde gegevens worden gedeeld met andere instanties.,
Het is mogelijk dat voor plan-m.e.r. de screening en de motivering over de screening, de aanmelding, het voorstel van scoping, de resultaten van de facultatieve participatie, de bezwaren, opmerkingen of standpunten die in het kader van het openbaar onderzoek worden ingediend, de adviezen die in het kader van de screening, de scoping of de raadpleging over het plan-MER en het plan-MER zelf persoonsgegevens bevatten die verwerkt zullen worden in de processtappen.
Bovendien zullen de screening en de motivering over de screening, de aanmelding, het voorstel van scoping en de uitgebrachte scopingadviezen, het eventuele geïntegreerd scopingadvies en de documenten vermeld in artikel 4.4.8, §2, eerste lid van het DABM actief bekendgemaakt worden om aan het publiek de mogelijkheid te bieden zich met kennis van zaken te informeren over het toepasselijke m.e.r.-proces. Dit laat toe om in het kader van de milieubeoordeling het publiek de mogelijkheid te geven haar bezwaren, opmerkingen of standpunten te uiten tijdens het openbaar onderzoek. Bovendien zullen deze bekendmakingen noodzakelijk zijn om het publiek toe te laten tijdig en met voldoende kennis van zaken een eventuele beroepsprocedure te overwegen. De bekendmaking van deze stukken wordt echter tot het noodzakelijke beperkt. Indien de bekendmaking niet meer nodig is voor de overweging van een jurisdictioneel beroep, wordt ervoor gezorgd dat de persoonsgegevens die vermeld zijn in deze stukken niet langer publiek beschikbaar blijven.
Ook in het kader van vergunningsprocedures voor projecten die onder de toepassing van bijlage 1 of 2 bij dit besluit vallen en dus onderworpen worden aan enige milieueffectrapportage zullen persoonsgegevens worden verzameld, nl. van de exploitant die de aanvraag indient, het publiek dat inspraak krijgt n geeft in de vergunningsprocedure en de bevoegde instanties die instaan voor de beoordeling van het project. Deze gegevens zijn nodig om de effecten of de impact van het project op de omgeving te kunnen beoordelen. Zonder de gegevens van de locatie van het gebied waarop het plan of programma of het project betrekking heeft, is het bv. niet mogelijk om de impact de lokaliseren of het brede publiek te informeren. Het doel van het verzamelen van deze gegevens is dus om een transparant en verantwoord beoordelingsproces te garanderen, waarbij de rechten en privacy van alle betrokkenen worden gerespecteerd. Zo zijn garanties ingebouwd in dit besluit dat het publiek kan aangeven of de gegevens mogen worden verwerkt door de bevoegde instanties. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zijn gegevens meedeelt zodat de bevoegde overheid contact met hem kan opnemen. De initiatiefnemer kan ook op ieder moment aangeven welke delen van zijn aanvraag hij aan de openbaarheid wenst te onttrekken (nieuw artikel 4.4.1. DABM). Ook wat de publicatie van gegevens betreft op internetsites van de overheid worden waarborgen ingevoerd in dit besluit d.m.v. van het opnemen van maximale bekendmakingstermijnen in de desbetreffende bepalingen zodat de gegevens niet langer dan noodzakelijk worden vrijgegeven, bv. een redelijke termijn om het publiek te informeren en in beroep te laten gaan.
Zowel wat betreft plan-m.e.r. als project-m.e.r. zal het VECM informatie bewaren die betrekking heeft op de procedures omschreven in dit besluit, en die bijgevolg eveneens persoonsgegevens kunnen bevatten. Voor VECM zal deze verwerking vereist zijn om kennis op te bouwen over deze procedures en de ontwikkelingen hieromtrent op te volgen en te evalueren. De verwerking van de informatie zal aldus noodzakelijk zijn om de werking als expertisecentrum verder te kunnen uitbouwen.
In paragraaf 2 van dit artikel wordt uiteengezet op welke betrokkenen de persoonsgegevens betrekking kunnen hebben:
1° de initiatiefnemer in het kader van procedures vermeld in dit besluit;
2° de natuurlijke personen die vermeld worden in de uitgebrachte adviezen door de adviserende instanties in het kader van de raadplegingen vermeld in dit besluit;
3° de personen die vermeld worden in de gegevens of documenten die bij de procedure gevoegd worden;
4° het deelnemende publiek in het kader van een raadpleging of participatie vermeld in dit besluit.
Bij de beoordeling van plannen of programma’s of vergunningsaanvragen is het noodzakelijk om bepaalde (persoons)gegevens op te vragen om de beoordeling van een plan/project zorgvuldig en correct te kunnen uitvoeren. Deze gegevens worden verzameld om te zorgen dat het project voldoet aan alle wettelijke en milieutechnische vereisten, en om de impact op de omgeving en betrokken partijen te kunnen evalueren. De gegevens worden alleen verzameld voor het specifieke doel van de vergunningsaanvraag of planproces, nl. dat de bevoegde overheid met kennis van zaken en rekening houdende met inspraak van het publiek een (milieu)beoordeling uitvoert van de effecten van het plan of project. Het doel van het verzamelen van deze gegevens is dus om een transparant en verantwoord beoordelingsproces te garanderen, waarbij de rechten en privacy van alle betrokkenen worden gerespecteerd. Bv. zonder de naam van een bedrijf of exploitant, locatie van het project en inhoud van de aanvraag is het niet mogelijk om de effecten op de omgeving te beoordelen en is het niet mogelijk voor het publiek om te weten wat er in de omgeving zal veranderen en daarop te kunnen reageren. Het gaat hier ook veelal over milieu-informatie die in het kader van het Verdrag van Aarhus dient vrijgegeven te worden.
Gegevens die door de initiatiefnemer in desbetreffende procedures worden verstrekt worden door de bevoegde overheid ontvangen en doorgegeven aan de bevoegde instanties die het project/plan moeten beoordelen. Zij hebben de gegevens nodig om de impact ervan te beoordelen. Ook de bevoegde overheid gebruikt de gegevens om contacten te leggen en tot een milieubeoordeling te kunnen overgaan. Sommige gegevens zullen doorgegeven worden voor het organiseren van een openbaar onderzoek over wat is aangevraagd en over het MER. Dit is nodig om het brede publiek inspraak te verlenen in de desbetreffende procedures conform de Europese verplichtingen van de SMEB- en MEB-richtlijnen alsook de verdragen van Aarhus en Espoo. Het deelnemende publiek kan ook gegevens doorgeven in het kader van het indienen van bezwaren en opmerkingen, dit is een logisch gevolg van de inspraak. Het zal echter ook mogelijk zijn om de bezwaren te anonimiseren of niet vrij te geven verder dan de bevoegde overheid en instanties die het dossier behandelen. Zoals eerder vermeld houdt dit besluit generieke bepalingen in die van toepassing zijn op verschillende soorten vergunningsprocedures of planprocessen waarop de milieueffectrapportage aantakt. De sectorale regelgeving van die procedures zal dus de verwerking van de gegevens behandelen.
Zie ook voormelde uitleg bij paragraaf 1.
In paragraaf 3 wordt omschreven welke categorieën van persoonsgegevens verwerkt kunnen worden in het kader van dit besluit. Dit kan gaan om de identificatiegegevens en contactgegevens van de betrokkenen, de locatiegegevens van het gebied waarop het plan of programma of het project betrekking heeft en de gegevens vervat in de inspraakreacties van het publiek zoals ingediend in het kader van een raadpleging of participatie vermeld in dit besluit.
Gezien voorliggend besluit generieke bepalingen inhoudt die van toepassing zullen zijn op bestaande procedures die in sectorale regelgeving wordt geregeld waarop de m.e.r.-procedure aantakt, is het niet mogelijk om een exhaustieve lijst op te maken van de categorieën van persoonsgegevens op te maken. Om die reden bepaalt paragraaf 4 de categorieën van gegevens die in voorkomend geval kunnen worden opgevraagd alsook een punt i) voor de overige persoonsgegevens die niet gekend zijn.
Paragraaf 4 van dit artikel preciseert onder welke voorwaarden de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens kan verwerken overeenkomstig de AVG en dat die verantwoordelijk is voor de naleving ervan en dit ook kan aantonen.
De voorwaarden waaronder de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens kan verwerken zijn:
1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;
2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;
3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
4° de persoonsgegevens zijn juist en als dat nodig is worden ze geactualiseerd;
5° alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onjuist zijn, onmiddellijk te wissen of te rectificeren;
6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;
7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging.
Verder dient de verwerkingsverantwoordelijke te beantwoorden aan de informatieverplichting aan de burger overeenkomstig de AVG. Zo dient hij de betrokkenen vooraf te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming en te informeren over hun rechten op basis van artikel 15 tot en met 22 van de algemene verordening gegevensbescherming.
Tot slot wordt in paragraaf 5 bepaald dat de maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens zoals bepaald in artikel 5, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, m.n. dertig jaar, van toepassing zullen zijn in het kader van dit besluit. De plannen, programma’s of projecten waarop de m.e.r.-procedures van toepassing zullen zijn, kunnen immers een lange geldingsduur kennen (tot zelfs onbepaald) waardoor de gegevens die relevant zijn geweest voor de beoordeling van de milieueffecten eveneens een lange tijd relevant kunnen blijven.
Bovendien wordt in dit besluit een betere afstemming of integratie van beoordelingen beoogd waar dat mogelijk is om onnodige overlappingen te vermijden. Om deze integratie of afstemming te waarborgen kan het ook nodig zijn om informatie in het kader van de m.e.r.-procedures vermeld in dit besluit een langere tijd te bewaren. Specifiek voor plannen kan zo gedacht worden aan plannen en programma's die deel uitmaken van een hiërarchie van plannen en programma's waarbij de milieubeoordeling zal voortbouwen op een eerder gedane beoordeling en waar om overlappingen te voorkomen, rekening zal moeten worden gehouden met de uitvoering van de milieubeoordeling op verschillende niveaus van de hiërarchie.
Voor vergunningen kan verwezen worden naar de gelijkaardige termijn die is opgenomen in het Bestuursdecreet van 7 december 2018, i.h.b. artikel III.87, §1/1, vierde lid. Dit artikel stelt dat de bestuursdocumenten die betrekking hebben op een vergunning die impact heeft op een zakelijk recht gedurende maximaal dertig jaar bewaard worden. Omgevingsvergunningen worden bijvoorbeeld ook verleend voor onbepaalde duur met een evaluatie na 20 jaar. I.h.k. daarvan is het ook nuttig om de gegevens ter beschikking te hebben om de evaluatie te kunnen uitvoeren.
Om vermelde redenen wordt dus ook hier voor dertig jaar geopteerd.
De Raad van State merkte ook terecht op in haar advies van 29 augustus 2025 met nummer 78.008/1/V dat de bewaartermijn in lijn is “met, enerzijds, de termijn die is vastgesteld voor (onder meer) bestuursdocumenten die betrekking hebben op een vergunning die impact heeft op een zakelijk recht bij artikel III.87, § 1/1, vierde lid, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, en, anderzijds de termijn voor de persoonsgegevens die het departement Omgeving verwerkt in het kader van de modulaire omgevingsvergunningsprocedure”. Dit vloeit dus voldoende duidelijk voort uit de hiervoor vermelde decretale bepalingen.
TITEL 6. WIJZIGINGSBEPALINGEN
Hoofdstuk 1. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid
Artikel 69.
Dit artikel betreft een rechtzetting in artikel 29, §1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid. Hier werd nog verwezen naar het “conform verklaarde milieueffectrapport” terwijl dit het “goedgekeurd milieueffectrapport” moet zijn.
Artikel 70.
Dit artikel betreft een rechtzetting in artikel 32, §2, van voormeld besluit. Hier werd nog verwezen naar het “conform verklaarde milieueffectrapport” terwijl dit het “goedgekeurd milieueffectrapport” moet zijn.
Artikel 71.
Dit artikel betreft een rechtzetting in artikel 35, §1, derde lid, van voormeld besluit. Hier werd nog verwezen naar het “conform verklaarde milieueffectrapport” terwijl dit het “goedgekeurd milieueffectrapport” moet zijn.
Artikel 72.
Dit artikel betreft een rechtzetting in artikel 37, eerste lid, van voormeld besluit. Hier werd nog verwezen naar het “conform verklaarde milieueffectrapport” terwijl dit het “goedgekeurd milieueffectrapport” moet zijn.
Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 2. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet
Artikel 73.
Deze wijzigingsbepaling heeft tot doel om artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet te actualiseren. Er werd nog verwezen naar een oude versie van het Bodemdecreet.
Artikel 74.
Deze wijzigingsbepaling heeft tot doel om artikel 37 van voormeld besluit te actualiseren. Er werd nog verwezen naar een oude versie van het Bestuursdecreet.
Hoofdstuk 3. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen
Artikel 75.
Deze wijzigingsbepaling heeft tot doel om artikel 5, §1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen aan te passen n.a.v. de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Hoofdstuk 4. Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2007 houdende nadere regels inzake de ruimtelijke veiligheidsrapportage
Artikel 76.
Artikel 77.
Artikel 78.
Deze wijzigingsbepalingen hebben tot doel om de verwijzingen naar het DABM in lijn te brengen met de wijzigingen van het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024 door invoering van nieuwe titel IV/1 betreffende de veiligheidsrapportage.
Hoofdstuk 5. Wijzigingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
De wijzigingsbepalingen in dit hoofdstuk hebben tot doel VLAREBO-besluit aan te passen n.a.v. de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024
Artikel 79.
De definitie van het VECM wordt in het VLAREBO ingevoegd ter vervanging van de oude benaming van het team Omgevingseffecten van het Departement Omgeving.
Artikel 80.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg.
Artikel 81.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg, dit is een logisch gevolg van artikel 79.
Artikel 82.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg, dit is een logisch gevolg van artikel 79.
Artikel 83.
Punt 1° van dit artikel hoeft geen nadere uitleg, dit is een logisch gevolg van artikel 79.
Punt 2° is dan weer gevolg van nieuw artikel 4.1.2. DABM. Zie o.m. de uitleg hierover in de memorie van toelichting bij het m.e.r.-decreet. “Als er geen advies gegeven werd, betekent dat niet dat het advies als positief of negatief beschouwd kan worden. Het niet tijdig verlenen van een advies mag de voortgang van het proces niet belemmeren. Voor de duidelijkheid wordt daarom expliciet vermeld dat in dat geval aan de adviesvereiste voorbij mag gegaan worden.[…]”.
Hoofdstuk 6. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is
Artikel 84.
De wijzigingsbepalingen in dit hoofdstuk hebben tot doel het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is aan te passen n.a.v. de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024 en de bijlagen bij voorliggend uitvoeringsbesluit betreffende m.e.r. dat de nieuwe project-m.e.r.-bijlagen inhoudt.
Hoofdstuk 7. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
De wijzigingsbepalingen in dit hoofdstuk zijn een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen aan het decreet complexe projecten van 25 april 2014 door het m.e.r.-decreet (artikel 121 t.e.m. 138) teneinde de sectorale regelgeving af te stemmen op de wijzigingen aan het DABM.
Artikel 85.
De definitie van het VECM wordt ingevoegd.
Artikel 86.
De verwijzingen naar het DABM worden afgestemd op de wijzigingen die met het m.e.r.-decreet werden doorgevoerd. De beslissing van het Team Mer over de scope van het MER wordt vervangen door het scopingadvies of geïntegreerd advies over de scoping van het VECM.
Artikel 87.
De verwijzingen naar het DABM worden afgestemd op de wijzigingen die met het m.e.r.-decreet werden doorgevoerd. De beslissing van het Team Mer over de scope van het MER wordt vervangen door het scopingadvies of geïntegreerd advies over de scoping van het VECM.
Artikel 88.
Artikel 89.
Artikel 90.
Deze bepalingen betreffen louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.” afgekort VECM.
Artikel 91.
Deze wijzigingsbepaling is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen aan het decreet complexe projecten van 25 april 2014 door het m.e.r.-decreet (artikel 121 t.e.m. 138) teneinde de sectorale regelgeving af te stemmen op de wijzigingen aan het DABM.
Artikel 92.
Artikel 93.
Deze bepalingen betreffen louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.” afgekort VECM.
Artikel 94.
Deze wijzigingsbepaling is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen aan het decreet complexe projecten van 25 april 2014 door het m.e.r.-decreet (artikel 121 t.e.m. 138) teneinde de sectorale regelgeving af te stemmen op de wijzigingen aan het DABM.
Artikel 95.
Artikel 96.
Artikel 97.
Artikel 98.
Deze bepalingen betreffen louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.” afgekort VECM.
Artikel 99.
De verwijzingen naar het DABM worden afgestemd op de wijzigingen die met het m.e.r.-decreet werden doorgevoerd. De beslissing van het Team Mer over de scope van het MER wordt vervangen door het scopingadvies of geïntegreerd advies over de scoping van het VECM. De inhoud van het advies wordt hier ook gewijzigd in lijn met de wijzigingen uit dit uitvoeringsbesluit, zie titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2 i.v.m. de scoping. De kwaliteitsbeoordeling van team MER wordt vervangen door een kwaliteitsadvies van het VECM (het VECM geeft voortaan advies over het ontwerp van plan-MER en wordt geen beslissing tot goed- of afkeuring genomen, zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM).
Artikel 100.
Deze bepaling betreft louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.”
Artikel 101.
De verwijzingen naar het DABM worden afgestemd op de wijzigingen die met het m.e.r.-decreet werden doorgevoerd. De beslissing van het Team Mer over de scope van het MER wordt vervangen door het scopingadvies of geïntegreerd advies over de scoping van het VECM. De inhoud van het advies wordt hier ook gewijzigd in lijn met de wijzigingen uit dit uitvoeringsbesluit, zie titel 3, hoofdstuk 3, afdeling 2 i.v.m. de scoping.
Artikel 102.
Deze bepaling betreft louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.”
Artikel 103.
Dit artikel hoeft geen verdere uitleg.
Artikel 104.
Gelet op de opheffing van artikel 4.6.4. van huidig DABM en dat hiervoor geen gelijkaardige bepaling voor is opgenomen in de gewijzigde titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet, wordt ook deze verwijzing naar het DABM opgeheven. Deze mogelijkheid tot heroverweging is niet meer mogelijk.
Artikel 105.
Artikel 106.
Deze bepalingen betreffen louter het vervangen van de oude benaming van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage naar de nieuwe benaming, nl. “het Vlaams expertisecentrum m.e.r.”
Hoofdstuk 8. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
De wijzigingsbepalingen in dit hoofdstuk zijn een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen aan het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning door het m.e.r.-decreet (artikel 111 t.e.m. 120) teneinde de sectorale regelgeving af te stemmen op de wijzigingen aan het DABM alsook een logisch gevolg van de invoering van de nieuwe titel IV betreffende de milieueffectrapportage in het DABM met het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Het is vanzelfsprekend dat het m.e.r.-besluit van toepassing is op omgevingsvergunningsprocedures die tevens aan een milieubeoordeling zijn onderworpen conform artikel 4.3.3. van het DABM. In sommige bepalingen van het omgevingsvergunningenbesluit is er toch voor gekozen om een expliciete verwijzing op te nemen naar het m.e.r.-besluit voor de duidelijkheid en om de aandacht erop te vestigen.
Artikel 107.
Artikel 108.
Artikel 109.
Dit artikel beoogt de correcte verwijzingen naar de nieuwe titel IV ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De verwijzing naar de nieuwe project-mer-bijlagen alsook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r. is een logisch gevolg ervan.
Artikel 110.
Gezien deze bepaling uit artikel 17 van het Omgevingsvergunningenbesluit (OVB) m.b.t. project-MER opgenomen wordt in voorliggend uitvoeringsbesluit is het thans niet meer nodig dat deze in het OVB blijft staan. Er wordt een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 49 van voorliggend m.e.r.-besluit voorzien zodat hier zeker de aandacht op wordt gevestigd.
Artikel 111.
Deze wijzigingsbepaling is een logisch gevolg van de nieuwe titel IV DABM en de nieuwe uitvoeringsbepalingen van voorliggend besluit waarbij de voorlopige goedkeuring van het project-MER wordt afgeschaft.
Artikel 112.
Gezien deze bepaling uit artikel 27 van het Omgevingsvergunningenbesluit (OVB) m.b.t. project-MER opgenomen wordt in voorliggend uitvoeringsbesluit wordt er een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 53 opgenomen.
Artikel 113.
Artikel 114.
Deze artikelen beogen correcte verwijzingen naar de nieuwe titel IV ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Ook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r. is een logisch gevolg ervan.
Artikel 115.
De beoogde modernisering m.e.r. ingevoerd met de nieuwe titel IV ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024 boekt ook winsten in efficiëntie in de procedures. Het is niet meer de bedoeling dat er voor hetzelfde project twee adviesvragen worden verstuurd over de vergunningsaanvraag en de project-MER aan dezelfde adviesinstanties en hoeven deze ook niet meer twee aparte adviezen uit te brengen. De bedoeling met dit artikel is om expliciet de adviesinstanties de mogelijkheid te bieden om louter één advies uit brengen over het project én de project-MER.
Artikel 116.
Dit artikel beoogt de correcte verwijzing naar de nieuwe titel IV ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Ook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r. is een logisch gevolg ervan.
Artikel 117.
Artikel 118.
Deze wijzigingsbepalingen zijn een logisch gevolg van de nieuwe titel IV DABM en de nieuwe uitvoeringsbepalingen van voorliggend besluit waarbij de ontheffingsmogelijkheid wordt afgeschaft.
Artikel 119.
Artikel 120.
Deze bepalingen beogen de correcte verwijzingen naar de nieuwe titel IV en IV/1 DABM ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Ook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Artikel 121.
Dit artikel is een logisch gevolg van wijzigingsbepaling 112 van dit besluit. Er wordt in een uitdrukkelijke verwijzing naar het m.e.r.-besluit voorzien zodat de aandacht wordt gevestigd op de toepassing van artikel 57, §3, van het m.e.r.-besluit.
Artikel 122.
Dit artikel beoogt de correcte verwijzingen naar de nieuwe titel IV en IV/1 DABM ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Ook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r. is een logisch gevolg ervan.
Artikel 123.
Voorliggend m.e.r.-besluit houdt reeds de generieke bepalingen in betreffende de m.e.r.-screening in titel 3, hoofdstuk 2, die ook van toepassing zijn op de omgevingsvergunningsprocedure. Het is dan ook niet langer nodig om deze op te nemen in het OVB. Er wordt wel voor de duidelijkheid een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen die van toepassing zijn in geval van aanvragen met een m.e.r.-screening.
Artikel 124.
Dit artikel beoogt de correcte verwijzingen naar de nieuwe titel IV en IV/1 DABM ingevoegd bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Ook de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de verwijzing naar de nieuwe project-m.e.r.-bijlagen zijn een logisch gevolg ervan.
Artikel 125.
Voorliggend m.e.r.-besluit houdt reeds de generieke bepalingen in betreffende de goed- of afkeuringsbeslissing van het VECM over het project-MER. Artikel 54 en 55 m.e.r.-besluit zijn thans van toepassing. Het is dan ook niet langer nodig om deze op te nemen in het OVB. Er wordt wel voor de duidelijkheid een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen die van toepassing zijn.
Artikel 126.
Artikel 127.
Artikel 128.
Artikel 129.
Deze wijzigingsbepalingen zijn een logisch gevolg van de invoering van de nieuwe titel IV en IV/1 DABM bij het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Het gaat hier o.a. om de naamswijziging van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage naar het Vlaams expertisecentrum m.e.r., de afsplitsing van de afdeling bevoegd voor veiligheidsrapportage, de verwijzing naar de nieuwe project-mer-bijlagen en de verwijzing naar de correcte artikels in het DABM voor titel IV en IV/1.
Artikel 130.
Voorliggend m.e.r.-besluit houdt reeds de generieke bepalingen in betreffende de m.e.r.-screening in titel 3, hoofdstuk 2, die ook van toepassing zijn op de omgevingsvergunningsprocedure. Het is dan ook niet langer nodig om deze op te nemen in het OVB. Er wordt wel voor de duidelijkheid een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen die van toepassing zijn in geval van aanvragen met een m.e.r.-screening.
Hoofdstuk 9. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage
De wijzigingsbepalingen in dit hoofdstuk hebben tot doel het besluit van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage aan te passen n.a.v. de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024 en het voorliggende uitvoeringsbesluit betreffende m.e.r.. De bepalingen betreffende de milieueffectrapportage in de Vlaamse regelgeving worden gecoördineerd in voorliggend besluit en bijkomend ook geüpdatet volgens de ratio legis van de modernisering m.e.r. Bijgevolg worden de bepalingen betreffende de milieueffectrapportage uit het besluit van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage gehaald.
Artikel 131.
Gezien de bepalingen rond milieueffectrapportage uit het besluit worden gehaald dient de definitie van de “administratie, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage” te worden aangepast naar een loutere verwijzing naar de administratie bevoegd voor veiligheidsrapportage van het Departement Omgeving, ook gekend als team Omgevingseffecten.
Artikel 132.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg en is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen in artikel 133.
Artikel 133.
De bepalingen rond milieueffectrapportage worden uit hoofdstuk 2 gehaald, met als gevolg de opheffing van onderafdeling 1.
Artikel 134.
Artikel 135.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg en is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen in artikel 131 en 133.
Artikel 136.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg en is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen in artikel 131 en het invoegen van nieuwe titel IV/1 in het DABM betreffende de omgevingsveiligheidsrapportage.
Artikel 137.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg en is een logisch gevolg van de wijzigingsbepalingen in artikel 131.
Artikel 138.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg en is een logisch gevolg van voorgaande wijzigingsbepalingen.
Artikel 139.
De bepalingen rond milieueffectrapportage worden uit hoofdstuk 2 gehaald, met als gevolg de opheffing van afdeling 3.
Hoofdstuk 10. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2018 houdende nadere regels voor de aanduiding van watergevoelige openruimtegebieden
Artikel 140.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Het plan-MER wordt niet meer goedgekeurd door het VECM. Zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM. Om die reden kan niet meer verwezen worden naar het goedgekeurde plan-MER. Artikel 7 van voormeld besluit wordt in die zin aangepast.
Hoofdstuk 11. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 tot bepaling van de nadere regels over de projectmethodologie en de projectstuurgroep in het kader van de basisbereikbaarheid
Artikel 141.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Artikel 142.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Hoofdstuk 12. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2020 over de regionale mobiliteitsplannen met integratie van de milieueffectrapportage
Artikel 143.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
De definitie van plan-m.e.r.-screening wordt aangepast om deze in lijn te brengen met de nieuwe definitie van plan-m.e.r.-screening in het DABM.
Artikel 144.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024.
Artikel 145.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024: milieueffectrapportage wordt vervangen door milieubeoordeling en de huidige administratie voor milieueffectrapportage heet voortaan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Artikel 146.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De mogelijkheid tot ontheffing wordt opgeheven en er wordt geen beslissing meer genomen over de plan-m.e.r.-screening, zie nieuw artikel 4.3.5, §1, DABM. Het VECM geeft hierover advies. Artikel 6 van voormeld besluit wordt in die zin aangepast. De huidige administratie voor milieueffectrapportage heet voortaan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Artikel 147.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Er wordt geen beslissing meer genomen over plan-m.e.r.-screening, zie nieuw artikel 4.3.5, §1, DABM. Het VECM geeft hierover advies. Artikel 7 van voormeld besluit wordt in die zin aangepast.
Artikel 148.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De mogelijkheid tot ontheffing wordt opgeheven en er wordt geen beslissing meer genomen over de plan-m.e.r.-screening, zie nieuw artikel 4.3.5, §1, DABM. Het VECM geeft hierover advies. Ook geeft het VECM voortaan advies over het ontwerp van plan-MER en wordt geen beslissing tot goed- of afkeuring genomen, zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM. Artikel 8 van voormeld besluit wordt in die zin aangepast.
Artikel 149.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De mogelijkheid tot ontheffing wordt opgeheven
Hoofdstuk 13. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen
Artikel 150.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De kwaliteitsbeoordeling van team MER wordt vervangen door een kwaliteitsadvies van het VECM (het VECM geeft voortaan advies over het ontwerp van plan-MER en wordt geen beslissing tot goed- of afkeuring genomen, zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM). De definitie voor “kwaliteitsbeoordeling” opgenomen in artikel 1 van voormeld besluit wordt opgeheven.
Artikel 151.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De kwaliteitsbeoordeling van team MER wordt vervangen door een kwaliteitsadvies van het VECM. Zie hiervoor nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM. Artikel 26/2, §4, van voormeld besluit wordt in die zin aangepast.
Artikel 152.
Dit artikel is een gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De huidige administratie voor milieueffectrapportage heet voortaan het Vlaams expertisecentrum m.e.r, de mogelijkheid tot ontheffing werd opgeheven, de kennisgeving werd vervangen door de aanmelding, de screeningsnota heet voortaan gewoon screening en de kwaliteitsbeoordeling van team MER wordt vervangen door een kwaliteitsadvies van het VECM (het VECM geeft voortaan advies over het ontwerp van plan-MER en wordt geen beslissing tot goed- of afkeuring genomen, zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM).
Hoofdstuk 14. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023 tot vaststelling van nadere regels voor aanvragen, adviezen en beslissingen over de vrijgave van woonreservegebieden
Artikel 153.
Artikel 154.
Artikel 155.
Deze bepalingen zijn het gevolg van de wijzigingen aan titel IV van het DABM door het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. De huidige administratie voor milieueffectrapportage heet voortaan het Vlaams expertisecentrum m.e.r, de screeningsnota heet voortaan gewoon screening en de kwaliteitsbeoordeling van team MER wordt vervangen door een kwaliteitsadvies van het VECM (het VECM geeft voortaan advies over het ontwerp van plan-MER en wordt geen beslissing tot goed- of afkeuring genomen, zie nieuw artikel 4.4.6, §2, DABM).
TITEL 7. SLOTBEPALINGEN
Hoofdstuk 1. Opheffingsbepalingen
Artikel 156.
De bepalingen betreffende de milieueffectrapportage in de Vlaamse regelgeving zowel voor plan-m.e.r. als project-m.e.r. worden gecoördineerd in voorliggend besluit en bijkomend ook geüpdatet volgens de ratio legis van de modernisering m.e.r. Bijgevolg worden volgende besluiten betreffende de milieueffectrapportage opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 15 juli 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014, 27 november 2015, 18 maart 2016, 24 februari 2017 en 2 februari 2024, ook gekend als het project-mer-besluit;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma’s, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2012, 11 januari 2013, 16 mei 2014, 15 juli 2016, 24 februari 2017, 30 maart 201, 11 december 2020, 10 november 2022 en 12 mei 2023, ook gekend als het plan-mer-besluit;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2023 tot regeling van de grensoverschrijdende raadpleging bij milieueffectbeoordeling van projecten van andere landen of gewesten, vermeld in artikel 4.3.9, §5, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Hoofdstuk 2. Overgangsbepalingen
Artikel 157.
Artikel 158.
Deze artikelen bevatten overgangsbepalingen voor de wijzigingen die doorgevoerd worden aan de regelgeving met betrekking tot milieueffectrapportage op uitvoeringsniveau, m.a.w. in de besluiten van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het DABM. Dit ten gevolge o.a. van artikel 156 van dit besluit.
Wanneer een procedure al werd aangevat door een formele stap voor de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving, loopt de procedure verder conform de huidige regelgeving. Dit geldt zowel voor procedures tot vaststelling van een plan of programma als voor vergunningsprocedures. Deze bepalingen sluiten aan bij de overgangsbepalingen van artikel 139 van het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024. Zo is het duidelijk dat ook de bepalingen in de uitvoeringsbesluiten zoals ze golden voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing zijn op die lopende procedures. Enkel de generieke uitvoeringsbepalingen zijn hierin opgenomen daar het niet mogelijk is om alle andere bepalingen hierin op te sommen en het logisch is dat de andere specifieke of geïntegreerde uitvoeringsbepalingen onverminderd van toepassing zijn zoals ze golden vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Voor projecten zijn er twee expliciete toevoegingen gedaan:
- het besluit (en zo dus ook nieuwe titel IV DABM) is meteen van toepassing op nieuwe vergunningsaanvragen ingediend na de inwerkingtreding van dit besluit; dit wil ook zeggen dat de nieuwe m.e.r.-rubricering van de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit pas van toepassing zijn op nieuwe vergunningsprocedures en niet op lopende procedures. Voor deze procedures blijft de oude rubricering van toepassing onverminderd de inwerkingtreding van dit besluit lopende een procedure;
- wat de reeds goedgekeurde verzoeken tot ontheffing betreft voor projecten van bijlage II (zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit) en waarvoor de vergunningsaanvraag pas ingediend wordt na de inwerkingtreding van dit besluit en dus onder de nieuwe screeningbijlage 2 bij dit besluit vallen, voorziet men expliciet in de mogelijkheid om de beslissing van het VEC tot goedkeuring van de ontheffing toe te voegen aan de screening als bijkomende informatie in de screening om aan te tonen dat er geen aanzienlijke effecten kunnen zijn. Dit is bovendien in lijn met de nieuwe artikelen 4.2.2. t.e.m. 4.2.6. DABM ivm hergebruik van informatie uit eerdere beoordelingen.
Hoofdstuk 3. Inwerkingtreding
Artikel 159.
Artikel 160.
Deze artikelen bepalen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en samenhangend van het decreet. Artikel 141 van het m.e.r.-decreet van 17 mei 2024 bevat een delegatie om de datum van inwerkingtreding vast te stellen van dat decreet bij besluit, vermits een aanpassing van het Omgevingsloket vereist is. Om die reden wordt deze datum gehanteerd voor de inwerkingtreding van dit besluit alsook van het m.e.r.-decreet. Het Omg zal aangepast zijn tegen 1 december 2025, wat overeenkomt met de uiterste datum van inwerkingtreding bepaald in voormeld decreet.
Artikel 161.
Dit artikel hoeft geen nadere uitleg.
BIJLAGE 1. DE CATEGORIEËN VAN PROJECTEN DIE CONFORM ARTIKEL 4.3.3, §1, 1°, VAN HET DECREET AAN EEN MILIEUBEOORDELING WORDEN ONDERWORPEN EN WAARVOOR EEN PROJECT-MER MOET WORDEN OPGESTELD
De verschuiving van alle projecten uit bijlage II naar de screeningbijlage (nieuwe bijlage II) betekent niet dat er minder aandacht komt voor milieueffecten. Elk project wordt immers nog steeds onderworpen aan een verplichte project-m.e.r.-screening, die de aanzienlijkheid van milieueffecten moet beoordelen. Deze screening moet rekening houden met de criteria uit bijlage I van het decreet (aard van het project, locatie, en kenmerken van potentiële effecten), zoals ook vereist door Europese regelgeving.
De afschaffing van de ontheffing en het behouden van slechts twee sporen (MER-plicht van rechtswege en screeningsgerechtigd) is een vereenvoudiging waarmee maximale afstemming met de MEB-richtlijn wordt nagestreefd. De richtlijn vereist immers geen afzonderlijke ontheffingsprocedure, maar laat toe dat de beoordeling via een screening gebeurt, zolang die aan de vereisten voldoet. Dit komt de rechtszekerheid en de toegankelijkheid van de procedure ten goede.
BIJLAGE 2. DE CATEGORIEËN VAN PROJECTEN DIE CONFORM ARTIKEL 4.3.3, §1, 2° VAN HET DECREET AAN EEN MILIEUBEOORDELING OF EEN SCREENING WORDEN ONDERWORPEN
BIJLAGE 3. TE RAADPLEGEN INSTANTIES ALS VERMELD IN ARTIKEL 5, 13, 18 EN 24
BIJLAGE 4. ADVISERENDE INSTANTIES ALS VERMELD IN ARTIKEL 38, 43 EN 52