← Alle wetgeving
Besluit van de Vlaamse Regering
12 sep. 2025· Belgisch Staatsblad 25 nov. 2025· numac 2025008482

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, voor de omzetting van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector

Officiële tekst in de Vlaamse Codex

Artikel Verslag aan de Vlaamse Regering

VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Betreft: Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, voor de omzetting van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector Algemene toelichting BBT-conclusies voor de gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Titel III van het VLAREM (besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties) bevat algemene en sectorale voorwaarden die alleen van toepassing zijn voor GPBV-installaties (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). Met dit wijzigingsbesluit worden aan titel II en III van het VLAREM de bijkomende sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor de gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Deze toevoeging komt er naar aanleiding van BBT-conclusies die op 12 december 2022 gepubliceerd werden in het Europees publicatieblad. Deze BBT-conclusies hebben een bindend karakter en vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. De BBT-conclusies voor de gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector dienen nu geïmplementeerd te worden in titel III van het VLAREM. Overeenkomstig artikel 5.4.6/1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), gebeurt de omzetting van BBT-conclusies in eerste instantie door middel van algemene en sectorale milieuvoorwaarden. Er werd voor geopteerd om zoveel mogelijk van de BBT’s uit de BBT-conclusies in te voegen in titel III van het VLAREM. In de praktijk komt dit neer op de opname van alle BBT’s uit de BBT-conclusies in titel III van het VLAREM. Volgens de bepalingen van afdeling 1.4.1 van titel II van het VLAREM worden alle milieuvoorwaarden geëvalueerd die van toepassing zijn op de GPBV-installaties die vallen onder het toepassingsgebied van de BBT-conclusies voor de gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Deze evaluaties kunnen leiden tot het bijstellen van de milieuvoorwaarden. De planning en uitvoering van de algemene evaluaties gebeurt volgens een meerjarenprogramma. Raadpleegbaar via https://omgeving.vlaanderen.be/nl/gpbv-installaties. Omzetting BBT-conclusies Artikel 5.4.3, §2, van het DABM bepaalt dat we bij omzetting van BBT-conclusies in titel III van het VLAREM rekening houden met: 1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen; 2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken; 3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten; 4° het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Als de BBT een milieuprestatieniveau voorschrijft, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde of milieuprestatieniveau voor energieverbruik of waterverbruik, dan worden geen technieken opgenomen in titel III van het VLAREM (tenzij er specifieke argumenten zijn om bepaalde technieken toch expliciet te vermelden). De BBT wordt dan via bindende (emissie)grenswaarden geïmplementeerd. Zo leggen we geen technieken op en kan de exploitant vrij kiezen hoe het milieuprestatieniveau wordt behaald. Doelvoorschriften primeren zo op middelvoorschriften. Ten slotte, bepaalt artikel 18 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) dat er extra voorwaarden gesteld moeten worden in de vergunning, als er met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die door toepassing van de best beschikbare technieken haalbaar zijn. Mogelijkheid van een andere beste beschikbare techniek Wanneer de exploitant verplicht wordt om één of meerdere (of een combinatie van) technieken toe te passen wordt er rechtstreeks naar de BBT-conclusies verwezen waar alle technieken staan opgesomd. De verschillende BBT-conclusies kunnen onder andere geraadpleegd worden op de websites van het Europese IPPC Bureau (http://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference/) en het BBT-kenniscentrum (http://emis.vito.be/bbt-conclusies). De exploitant heeft via artikel 1.7 van titel III van het VLAREM wel steeds de mogelijkheid om een andere beste beschikbare techniek toe te passen om het beoogde van de betreffende BBT te kunnen halen. Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42 Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 25 juni 2020 in de zaak C-24/19 de plan-m.e.r.-plicht voor sectorale voorwaarden voor windturbines beoordeeld. Het Hof heeft daarbij de volgende zaken in overweging genomen. Artikel 3 van de plan-m.e.r.-richtlijn 2001/42 stelt de verplichting om een bepaald plan of programma te onderwerpen aan een milieubeoordeling afhankelijk van de voorwaarde dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Meer in het bijzonder moet krachtens artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn een systematische milieubeoordeling worden verricht voor de plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot bepaalde sectoren en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de projecten die worden genoemd in de bijlagen I en II bij de project-m.e.r.-richtlijn. Wat de vraag betreft of deze handelingen het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, zij eraan herinnerd dat het begrip „plannen en programma’s” betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze uitlegging is erop gericht te waarborgen dat voorschriften die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Met dit besluit worden op Europees niveau vastgelegde BBT-conclusies opgenomen in de Vlaamse regelgeving. In overweging 13 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake Industriële Emissies (afgekort RIE) worden de bedoeling en de wijze van vaststelling van BBT-conclusies toegelicht: “Teneinde de „beste beschikbare technieken” te bepalen en ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken, dienen referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken, hierna „BBT-referentiedocumenten” genoemd, te worden opgesteld, geëvalueerd en, waar nodig, bijgewerkt door de uitwisseling van informatie met de belanghebbende partijen, en dienen de belangrijkste bestanddelen van de BBT-referentiedocumenten (hierna „BBT-conclusies” genoemd), via de comitéprocedure te worden vastgesteld. In dit verband dient de Commissie, via de comitéprocedure, richtsnoeren vast te leggen voor het verzamelen van gegevens, het opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan. De BBT-conclusies dienen het ijkpunt te vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. Zij kunnen worden aangevuld met informatie uit andere bronnen. De Commissie moet ernaar streven de BBT-referentiedocumenten uiterlijk acht jaar na de publicatie van de vorige versie te hebben bijgewerkt.” De BBT-conclusies worden opgesteld én vastgesteld op Europees niveau door de Europese Commissie via de comitéprocedure (artikel 13 RIE). Bij deze procedure worden zowel de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken als niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming betrokken. Voor het bepalen van BBT en BBT-GEN (met BBT-geassocieerde emissieniveaus) worden specifieke (technische) informatie en milieueffecten eigen aan de lidstaten meegenomen in het Sevilla-proces. Door middel van Split views kunnen lidstaten ook in de eindfase van het Sevilla-proces kenbaar maken dat bepaalde informatie en milieueffecten meer aandacht verdienen. De RIE moet vervolgens uitwerking vinden op projectniveau. De lidstaten hebben een verplichting om de nodige maatregelen te treffen opdat de betreffende installaties overeenkomstig deze BBT worden geëxploiteerd (artikel 11, b) RIE). De BBT-conclusies vormen daarbij de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden (artikel 14, lid 3 RIE). Voor bestaande installaties dienen de lidstaten binnen een termijn van vier jaar na de vaststelling van de betreffende BBT-conclusies de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de vergunningsvoorwaarden van de betreffende industriële installaties worden getoetst en desgevallend worden bijgesteld om aan de toepasselijke BBT-conclusie te voldoen (artikel 21 RIE). Het is aldus de bedoeling van de RIE dat op Europees niveau BBT-conclusies opgesteld worden die voor alle betrokken installaties het ijkpunt vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden, waarmee de Europese regelgever ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten wil beperken. Het is niet de bedoeling dat de lidstaten op planniveau voor de installaties op hun grondgebied een ander ijkpunt invoeren. Omzettingsregelgeving kan enkel de bedoeling hebben de Europees vastgestelde BBT-conclusies op te nemen in de regelgeving van de lidstaten. Het invoeren van eigen ijkpunten door de lidstaten zou de beoogde doelstelling van het beperken van ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten ondermijnen. In uitvoering van artikel 5.4.6/1 Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) worden in de Vlaamse regelgeving nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies waar mogelijk en bij voorrang omgezet door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of andere sectorale regelgeving. Het kan daarbij niet de bedoeling zijn om het vaststellingsproces op Europees niveau over te doen in de Vlaamse context. De omzetting betreft geen opstelling en vaststelling van een eigen plan van de Vlaamse Regering maar een omzetting van de Europees vastgestelde BBT-conclusies. Het betreft louter het omzetten van de Europese verplichtingen in het interne recht teneinde deze in de Vlaamse situatie rechtstreeks te kunnen toepassen in een concreet geval. De omzetting van de BBT-conclusies in intern recht en de opname van de bovengrens van BBT-GEN’s in een algemeen bindend voorschrift zoals titel II of III van het Vlarem getuigt dus niet van het “opstellen” of “vaststellen” van een plan of programma in de zin van artikel 2, a), eerste streepje van de plan-m.e.r.-richtlijn. In de omgevingsvergunning kan overeenkomstig artikel 1.3 titel III van het VLAREM steeds afgeweken worden van die emissiegrenswaarde zolang de emissiegrenswaarde voldoet aan de BBT-GEN bepaald in de BBT-conclusies die de Europese Commissie heeft aangenomen. Het is dus met de vaststelling van de Europese BBT-conclusies dat het toetsingskader voor de vergunningen wordt bepaald. Dit besluit waarmee de Europees vastgestelde BBT-conclusies worden opgenomen in de Vlaamse regelgeving is aldus geen plan of programma in de zin van de plan-m.e.r.-richtlijn waardoor voor de vaststelling van dit besluit geen plan-MER of plan-m.e.r.-screening vereist is. De bepalingen van de Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42, omgezet in internrechtelijke regelgeving via titel IV van het DABM (meer specifiek artikel 4.1.1 en de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.11.), zijn bijgevolg niet van toepassing op dit besluit. Opbouw van het nieuwe hoofdstuk 3.19. Gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector De titel III van het VLAREM volgt grotendeels de opbouw van de BBT-conclusies. Dit resulteert in volgende structuur: Hoofdstuk 3.19. Gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector Afdeling 3.19.1. Toepassingsgebied en definities Afdeling 3.19.2. Algemene bepalingen Onderafdeling 3.19.2.1. Toepasbaarheid Onderafdeling 3.19.2.2. Algemene bepalingen Onderafdeling 3.19.2.3. Totale milieuprestatie Onderafdeling 3.19.2.4. Andere dan normale bedrijfsomstandigheden Onderafdeling 3.19.2.5. Geleide emissies naar lucht Onderafdeling 3.19.2.6. Diffuse VOS-emissies naar lucht Afdeling 3.19.3. Polymeren en synthetische rubbers Onderafdeling 3.19.3.1. Productie van polyolefinen Onderafdeling 3.19.3.2. Productie van polyvinylchloride Onderafdeling 3.19.3.3. Productie van synthetische rubbers Onderafdeling 3.19.3.4. Productie van viscose met CS2 Afdeling 3.19.4. Procesovens of -verhitters Artikelsgewijze bespreking Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 Dit artikel stelt dat het wijzigingsbesluit voorziet in de omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2427 van de Commissie van 6 december 2022 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Hoofdstuk 2. Wijzigingen van titel II van het VLAREM De wijzigingen onder dit hoofdstuk hebben hoofdzakelijk betrekking op aanpassingen aan titel II van het VLAREM om conformiteit en afstemming te garanderen met de Europese BBT-conclusies en de omzetting daarvan in titel III van het VLAREM, in het bijzonder de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Voor wat betreft het meet- en beheersprogramma voor fugitieve VOS-emissies zijn reeds sinds 2008 bepalingen opgenomen in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. Er is geen reden om een onderscheid te maken in concrete toepassing voor GPBV- en niet-GPBV-bedrijven, noch om voor GPBV-bedrijven een onderscheid te maken in de toepasselijke sector. Er wordt een gelijke behandeling nagestreefd voor alle bedrijven die het meet- en beheersprogramma voor fugitieve VOS-emissies moeten toepassen. Vervolgens zijn CMR-stoffen zeer zorgwekkende stoffen waarvoor dikwijls geen veilige waarden bestaan voor de concentratie in de omgevingslucht. Vandaar ook dat in de Visie Zeer Zorgwekkende Stoffen (https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling/vlaamse-visie-zeer-zorgwekkende-stoffen) de minimalisatie van de uitstoot van deze stoffen wordt nagestreefd. In de Haven Van Antwerpen werd in 2021 een grootschalige meetcampagne uitgevoerd naar de aanwezigheid van VOS in de omgevingslucht (https://www.vmm.be/nieuws/archief/meetcampagne-op-50-locaties-in-antwerpse-haven-wijst-extra-hotspots-aan). Verschillende hotspots werden hierbij aangeduid, waaronder onder andere het gebied rond de raffinaderijen waar verhoogde concentraties van benzeen werden gemeten. Fugitieve emissies vormen een belangrijk aandeel in de door de bedrijven gerapporteerde uitstoot van benzeen. In die context is het belangrijk dat er bijkomend ingezet wordt op verdere terugdringing van deze uitstoot door verhoogde monitoring en herstel van dit soort lekken. Bijgevolg gebeurt de implementatie van de betreffende bepalingen uit de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector in de bestaande bepalingen van afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. Artikel 2 Dit artikel wijzigt artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Hierbij worden er definities gewijzigd, opgeheven of toegevoegd. Punt 1 voegt de definities CMR, CMR 1A, CMR 1B en CMR 2 toe aan de algemene definities van titel II van het VLAREM. Deze definities zijn gebaseerd op de definities uit de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector en worden gebruikt bij de omzetting ervan in het VLAREM, meer bepaald in hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM en afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. Daarnaast worden deze termen ook gebruikt in de BBT-conclusies voor afvalbehandeling en voor de textielindustrie, respectievelijk omgezet in hoofdstuk 3.14 en 3.20 van titel III van het VLAREM. Voor CMR-mengsels (relevant voor de vaststelling wanneer een gemengde productstroom als CMR wordt beschouwd) wordt verwezen naar de bepalingen in de CLP-Verordening. CLP-Verordening is reeds gedefinieerd in artikel 1.1.2, definities gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen. Punt 2 schrapt de definities geleide emissie, niet geleide emissie en totale emissie onder de tussentitel “emissiejaarverslag”. Deze tussentitel bevat dan geen definities meer en wordt bijgevolg mee geschrapt. Geleide emissie is gedefinieerd onder de tussentitel “Definities luchtverontreiniging”. Via punt 3 van dit artikel wordt ook een definitie toegevoegd voor diffuse (niet-geleide) emissie. De definities onder de tussentitel “emissiejaarverslag” kunnen bijgevolg geschrapt worden. Punt 3 wijzigt de tussentitel “DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (hoofdstuk 2.10, deel 3, 4, 5 en 6)” waarbij de definities “ALGEMEEN” volledig worden vervangen. In concreto betreft het een opsplitsing van de bestaande definities in definities “Algemeen” en definities “Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken (deel 2)”. Momenteel staan alle definities inzake luchtverontreiniging die specifiek gelden voor deel 2, maar niet relevant zijn voor delen 4, 5 en 6 mee onder de tussentitel “Algemeen”. De definities die enkel relevant zijn voor deel 2 worden nu opgenomen onder de nieuwe tussentitel “Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken (deel 2)”. De overige definities worden opgenomen onder de tussentitel “Algemeen”. De definities worden herschikt zodat ze alfabetisch komen te staan en worden genummerd. Verder worden er nog enkele wijzigingen doorgevoerd waaronder: - er wordt een definitie toegevoegd voor diffuse emissies. Dit zijn niet-geleide emissies. Deze definitie is in overeenstemming met de definitie in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector alsook met de definities in reeds eerder gepubliceerde BBT-conclusies. Zoals aangegeven in de definities in de BBT-conclusies voor raffineren van aardolie en gas, gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector, afvalbehandeling en afvalverbranding kunnen diffuse emissies zowel afkomstig zijn uit puntbronnen (bv. pijpflenzen) als uit oppervlaktebronnen (bv. tanks, tankwagens); - in de definitie “emissie” wordt de term puntbron vervangen door de term geleide bron, naar analogie met de gehanteerde definitie “geleide emissie”. Puntbronnen kunnen zowel aanleiding geven tot diffuse emissies (bv. pijpflenzen) als geleide emissies (bv. schoorstenen); - de definitie “fugitieve emissie” wordt verplaatst van de tussentitel “Meten en beheersen van fugitieve VOS emissies” naar de tussentitel “Algemeen”, aangezien deze term ook in andere delen van VLAREM gebruikt wordt. Tevens wordt de definitie gewijzigd in overeenstemming met de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Hiertoe wordt de bepaling “exclusief methaan” geschrapt en wordt de terminologie afgestemd op die van de definitie in de BBT-conclusies; - de definitie “geleide emissie” in titel II van het VLAREM blijft voorlopig behouden. In de BBT-conclusies, en dus ook zo geïmplementeerd in verschillende hoofdstukken in titel III van het VLAREM, geldt een andere definitie voor geleide emissies. In de BBT-conclusies worden geleide emissies met name niet beperkt tot schoorstenen waarvan het debiet bepaald kan worden, zoals in titel II van het VLAREM momenteel wel het geval is. We onderzoeken of we deze 2 verschillende definities op termijn op elkaar kunnen afstemmen; - er wordt een definitie voor “niet-fugitieve emissie” ingevoegd, overeenkomstig de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector; - onder tussentitel “algemeen” komt een definitie voor “vluchtige organische stoffen (VOS)” overeenkomstig de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en verschillende BBT-conclusies. De bestaande definitie voor “vluchtige organische stoffen (VOS)”, welke afkomstig is uit de Richtlijn inzake nationale emissieplafonds (NEC), wordt ondergebracht onder de nieuwe tussentitel ““Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken (deel 2)”. Punten 4 tot en met 14 wijzigen een aantal definities onder de tussentitel “Meten en beheersen van fugitieve VOS-emissies”: - de definities worden in overeenstemming gebracht met de definities in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector en met de wijzigingen aan afdeling 4.4.6; - de definitie “fugitieve emissie” wordt verplaatst naar de tussentitel “Algemeen”, aangezien deze term ook in andere delen van VLAREM gebruikt wordt; - in de definitie “meetwaarde” worden de woorden “van hoofdstuk II van bijlage 4.4.6” geschrapt vermits het onnodig is om bij de verwijzing naar de meetmethode EN15446:2008 naar de bijlage 4.4.6 te verwijzen; - de definitie “registratiecriterium” wordt geschrapt. Conform BBT 2 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector moeten alle apparaten in de inventaris opgenomen worden. Het gebruik en definiëring van de term “registratiecriterium” is hierdoor overbodig; - de definitie “herstelcriterium” wordt gewijzigd. Conform BBT 19, iii), b), is het BBT om de drempelwaarden voor herstel van apparaten te laten dalen bij volgende meet- en beheersprogramma’s (zogenaamde “LDAR” of Leak Detection and Repair). De gehanteerde drempels zijn in overeenstemming met deze in BBT 19. De gehanteerde termijnen houden rekening met een termijn van 5 jaar voor een volledige LDAR-cyclus; - de definities “product type 1” en “product type 2” worden geschrapt vermits deze niet conform de BBT-conclusies zijn. In de BBT-conclusies wordt er onderscheid gemaakt tussen CMR 1A, 1B en CMR 2; - de definitie “IR-camera” wordt aangepast, waarbij voor de eisen waaraan een IR-camera moet voldoen de verwijzing naar de Nederlandse Technische Richtlijn NTA8399:2015 vervangen wordt door de verwijzing naar Annex C van de nieuwe Europese norm EN 17628:2022 inzake een standaardmethode om diffuse emissies van vluchtige organische stoffen in de atmosfeer te bepalen; - de definitie “steekproef” wordt geschrapt aangezien de overgangstermijnen in titel II van het VLAREM met betrekking tot het gebruik van steekproeven verstreken zijn; - er worden definities opgenomen voor “aardgasvervoersnet”, “opslaginstallatie voor aardgas” en “LNG-installatie”. Deze installaties vallen onder het toepassingsgebied van de Methaanverordening (Verordening (EU) 2024/1787) en worden daarom uitgesloten van de bepalingen van afdeling 4.4.6 (zie hiervoor artikel 5). De definities in de Methaanverordening verwijzen naar de definities in de Richtlijn (EU) 2024/1788, die omgezet is in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (i.e. Federale Gaswet 1965); - in de verschillende definities wordt het woord ”inrichting” telkens vervangen door de woorden ”ingedeelde inrichting of activiteit”. Dit betreft louter een terminologische aanpassing conform de terminologie gebruikt in het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM) en het Omgevingsvergunningsbesluit. Punt 15 wijzigt de concordantietabel onder de tussentitel “Definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming (integraal waterbeleid” waarbij de term “sulfide” de voorkeur krijgt boven vroeger gangbare termen zoals “som van opgelost sulfide en zuur milieu oplosbaar/oplosbare sulfide”, “gemakkelijk vrijkomend sulfide”, “opgelost sulfide” of “zuur oplosbare sulfide”. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Punt 16 schrapt de definitie 13° “vluchtige organische stof (VOS)” onder de tussentitel “Definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen (hoofdstuk 5.59)”. De definitie voor vluchtige organische stoffen overeenkomstig de Richtlijn Industriële Emissies, die tevens van toepassing is voor de bepalingen in hoofdstuk 5.59 van titel II van het VLAREM, wordt opgenomen onder de tussentitel “Algemene definities luchtverontreiniging”. Artikel 3 Dit artikel wijzigt paragraaf 1 van artikel 4.2.5.3.1 van titel II van het VLAREM om de huidige terminologie te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. “De som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar of oplosbare sulfide” wordt telkens vervangen door “sulfide”. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1 van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 4 Artikel 4.4.3.3, §3, van titel II van het VLAREM wordt opgeheven. In de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector wordt niet toegelaten dat voor naverbranders omgerekend wordt naar een referentiezuurstofgehalte van 18%. Ook in alle eerder gepubliceerde BBT-conclusies wordt dit niet toegelaten. Voor alle relevante sectoren zijn ondertussen BBT-conclusies beschikbaar of in opmaak. De emissiegrenswaarden in titel III van het VLAREM gelden voor naverbranders steeds bij gemeten zuurstofgehalte. De opheffing zorgt voor GPBV-installaties dat er geen tegenstrijdigheden meer zijn in de regelgeving. Een onderscheid tussen GPBV-installaties en niet-GPBV installaties rond het al dan niet toepassen van een referentiezuurstofgehalte is niet nodig. Ook een onderscheid maken tussen parameters die wel of niet door BBT-conclusies worden genormeerd is overbodig. De huidige stand van de techniek (vnl. recuperatieve of regeneratieve thermische oxidatie) leidt er bovendien toe dat deze bepaling achterhaald is. De werkelijk gemeten zuurstofpercentages bij deze naverbranders liggen doorgaans hoger, zonder dat het hier een moedwillige verdunning van de emissie zou betreffen die tot doel heeft om de concentraties aan verontreinigende stoffen te verlagen. Het laag brandstofverbruik van deze naverbranders (zelfs nul bij autotherme processen), leidt ertoe dat de zuurstofconcentratie in het afgas hoog blijft. Voor installaties waar aanpassingen nodig zouden zijn, wordt voorzien in een overgangstermijn. Artikel 5 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.1.1 van titel II van het VLAREM. Het gaat om een terminologische aanpassing volgens de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. Daarnaast worden de drempelwaarden voor het toepassingsgebied aangepast volgens de drempelwaarden opgenomen in BBT 22 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. De uitzondering die geldt voor activiteiten, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst is niet opgenomen in de BBT-conclusies, vandaar dat deze geschrapt wordt voor activiteiten die ook onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3.9 van titel III van het VLAREM vallen. Anderzijds wordt een nieuwe uitzondering opgenomen voor compressiestations op het aardgasvervoersnet, opslaginstallaties voor aardgas en LNG-installaties. Deze installaties vallen conform artikel 1, lid 2, c), onder het toepassingsgebied van de Methaanverordening (Verordening (EU) 2024/1787) en moeten volgens artikel 14 van deze Verordening een lekdetectie en -reparatieprogramma uitvoeren. Het is niet zinvol om aan dezelfde installatie twee verschillende types LDAR-programma’s op te leggen met verschillende vereisten. Van de bepalingen in de Verordening kan niet afgeweken worden, bovendien zijn deze op bepaalde punten strenger dan de VLAREM-bepalingen, vandaar dat een uitzondering voorzien wordt in titel II van het VLAREM. Artikel 6 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.1.3 van titel II van het VLAREM waarbij: - het woord ‘onderdelen’ wordt vervangen door ‘apparaten’ aangezien dit reeds gedefinieerd is; - het woord ‘knelfittingen’ in punt 2° en het punt 3° rond ‘technisch dichte apparaten’ worden opgeheven omdat deze volgens de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector niet uitgesloten zijn van het toepassingsgebied. Artikel 7 Dit artikel vervangt in subafdeling 4.4.6.2 van titel II van het VLAREM de verwijzing naar de Nederlandse Technische Richtlijn NTA8399:2015 door de verwijzing naar de nieuwe Europese norm EN 17628:2022 inzake een standaardmethode om diffuse emissies van vluchtige organische stoffen in de atmosfeer te bepalen. Artikel 8 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.1 van titel II van het VLAREM. Het woord ”inrichting” wordt telkens vervangen door ”ingedeelde inrichting of activiteit”. Dit betreft louter een tekstuele aanpassing conform de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. In paragraaf 3 wordt de uitsluiting voor methaan geschrapt om conformiteit met de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector te garanderen. In paragraaf 4 worden a) en b) onder punt 1° geschrapt wegens niet langer relevant. Tevens wordt een punt 6° toegevoegd waarbij voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM vallen, verwezen wordt naar de databank zoals vermeld in artikel 3.19.2.6.1, 5° van titel III van het VLAREM, en dit in overeenstemming met BBT 19, iii), e), van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Artikel 9 Vandaag moet een exploitant ter beheersing van fugitieve VOS-emissies, als de meetwaarde het registratiecriterium overschrijdt of wanneer met een IR-apparaat een lek gedetecteerd wordt, een aantal gegevens (zoals identificatie apparaat, naam product etc.) opnemen in een inventaris. Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.2, §2 van titel II van het VLAREM, in overeenstemming met BBT 2, iii), van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. De exploitant moet de inventaris met informatie over fugitieve emissies naar lucht opstellen, bijhouden, maar ook regelmatig herzien zoals o.a. bij belangrijke wijzigingen. De gegevens die de inventaris moet bevatten, worden ook uitgebreid. De inventaris kan ook via een derde partij ter beschikking gesteld worden, mits deze voldoet aan de gestelde eisen en dit binnen een redelijke termijn gebeurt. Artikel 10 Het huidig artikel 4.4.6.2.3 van titel II van het VLAREM wordt vervangen. In de nieuwe versie wordt het woord “inrichting” telkens vervangen door “ingedeelde inrichting of activiteit”. Dit betreft louter een terminologische aanpassing volgens de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. Het woord “controle(s)” wordt telkens vervangen door het woord “meting(en)”. Het betreft louter een tekstuele verbetering. Aan paragraaf 4 wordt een derde en vierde lid toegevoegd. Het derde lid van paragraaf 4 laat toe dat de vijfjaarlijkse metingen met een IR-camera geheel of gedeeltelijk vervangen worden door een meting volgens EN15446:2008. Bij deze meting moeten steeds alle apparaten gemeten worden. Apparaten die niet gemeten kunnen worden met EN15446:2008 omwille van bereikbaarheid, moeten steeds met de IR-camera gemeten worden. In het vierde lid van paragraaf 4 wordt aan onafhankelijke opslagdepots de mogelijkheid gegeven om de vijfjaarlijkse meting van alle bereikbare apparaten volgens EN 15446:2008 te vervangen door een meting met een IR-camera volgens EN 17628:2022. Onafhankelijke opslagdepots kunnen bijgevolg opteren om over een periode van vijf jaar, twee keer metingen uit te voeren met IR-camera i.p.v. metingen met IR-camera af te wisselen met klassieke LDAR-metingen. Onafhankelijke opslagdepots zijn inrichtingen waar enkel opslagtanks gebruikt worden voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke producten in opdracht van derden, die noch het product, noch de grondstof zijn van of voor een procesinstallatie van dezelfde exploitant. Onafhankelijke opslagdepots verschillen doorgaans van opslagfaciliteiten die rechtstreeks gelinkt zijn aan bedrijven, doordat bij deze laatste vaak dezelfde producten worden opgeslagen, terwijl de type producten die worden opgeslagen bij onafhankelijke opslagdepots sterk kunnen variëren doorheen de tijd. In paragraaf 5 wordt het meetprogramma beschreven dat afgestemd is op geplande stops van een installatie. De bestaande aanpak blijft behouden. Naar analogie met paragraaf 4 wordt een bepaling toegevoegd die toelaat dat de metingen met de IR-camera geheel of gedeeltelijk vervangen worden door een meting met EN15446:2008. Ook hier geldt dat bij de meting steeds alle apparaten gemeten moeten worden met één van beide meetmethoden. Als de periode tussen aanvang van opeenvolgende geplande stops 84 maanden of meer bedraagt, moeten ook alle onbereikbare apparaten gemeten worden met de IR-camera. In paragraaf 6 is vastgelegd dat een aantal kritieke apparaten, waarvan is vastgesteld dat deze vaker lekken en dat de waargenomen lekken ook groter zijn, jaarlijks gemeten moeten worden. Die bestaande aanpak blijft behouden. De jaarlijkse meetverplichting wordt nu aangevuld met alle apparaten die in contact komen met VOS ingedeeld als CMR 1A of 1B conform BBT 22 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Voor onbereikbare apparaten wordt toegelaten dat deze gemeten worden met de IR-camera. Via paragraaf 7 wordt een minder streng meetprogramma mogelijk gemaakt voor installaties die heel lage fugitieve emissies kunnen aantonen. Dit zogenaamde LDAR “light” programma bestaat momenteel al en wordt behouden. De verwijzing naar type 1 producten (nu: “VOS die zijn ingedeeld als CMR 1A of 1B”) wordt geschrapt als criterium. Apparaten in contact met CMR 1A en 1B stoffen moeten jaarlijks gemeten worden conform §6 in overeenstemming met de bepalingen in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Verder worden de huidige herstelcriteria “vastgeklikt” als criteria waar minder dan 0,04% van de apparaten mogen boven zitten om het “light” programma te kunnen toepassen (met name 10.000 ppm voor veiligheidskleppen, pompen, compressoren, roerwerken en monsternamepunten die niet in contact komen met VOS die zijn ingedeeld als CMR 1A of 1B en 1.000 ppm voor alle andere apparaten). Als na verloop van tijd de herstelcriteria wijzigen (cfr. definitie 6° onder definities “METEN EN BEHEERSEN VAN FUGITIEVE VOS-EMISSIES” zoals voorzien in wijzigingsartikel 2), evolueren de criteria voor het “light” programma bijgevolg niet mee. Tevens wordt een bijkomende mogelijkheid voorzien om in te stappen in het “light” programma, met name indien de werkelijk gemeten emissies de drempelwaarden van 1 ton VOS ingedeeld als CMR 1A of 1B of 5 ton andere VOS niet overschrijden. BBT 20 laat immers toe dat in de raming van diffuse VOS-emissie rekening gehouden wordt met de resultaten van de monitoring. De werkelijk gemeten emissies worden hierbij berekend volgens de berekeningsmethode, vermeld in hoofdstuk V van bijlage 4.4.6. Voor apparaten die gerepareerd zijn dient de emissie berekend te worden op basis van de gemeten emissie voor reparatie. In het tweede lid wordt aan de onafhankelijke opslagdepots eveneens de mogelijkheid gegeven om de metingen voor dit “light” programma volledig uit te voeren met een IR-camera volgens EN 17628:2022. Het “light” meetprogramma kan gevolgd worden zolang de vijfjaarlijkse meting voldoet aan één van de voorwaarden 1° of 2°, vermeld in het eerste lid. De bestaande bepaling in paragraaf 8 wordt verplaatst naar paragraaf 10, na de paragrafen met meetverplichtingen. In paragraaf 8 wordt nu een nieuwe bepaling opgenomen met betrekking tot meetverplichtingen voor technisch dichte apparaten. Deze bepalingen zijn in overeenstemming met voetnoten 5 en 6 van BBT 22 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Er wordt toegelaten dat onbereikbare apparaten gemeten worden met de IR-camera in plaats van met EN15446:2008. De overgangsbepaling die ingeschreven werd in 2019 in paragraaf 9 en die de overgang van de oude naar de nieuwe methodiek regelde is niet langer relevant en wordt opgeheven. In deze paragraaf 9 wordt nu een nieuwe bepaling opgenomen met betrekking tot (voor metingen met EN15446:2008) onbereikbare apparaten omwille van praktische redenen of veiligheidsredenen, bijvoorbeeld als de meting de verwijdering van isolatiemateriaal of het gebruik van steigers vereist. Het aantal onbereikbare punten moet steeds tot een minimum beperkt worden. Indien er zich gelegenheden voordoen waarbij meting met EN15446:2008 toch mogelijk is (bijvoorbeeld isolatie wordt verwijderd of steigers worden geplaatst omwille van herstellingen), moeten deze apparaten gemeten worden. Vervolgens wordt er een nieuwe paragraaf 10 toegevoegd. De bepaling uit paragraaf 8 wordt terug opgenomen in paragraaf 10 om een coherenter geheel te bekomen. De bepaling wordt tekstueel geherformuleerd. Verder zijn de huidige bepalingen niet afgestemd op installaties met productinhouden die variëren doorheen de tijd en op apparaten die slechts sporadisch operationeel zijn. Denk bijvoorbeeld aan de fijnchemie zoals de farmaceutische productie. In paragraaf 11 wordt de mogelijkheid geboden om een gelijkwaardig inrichtingspecifiek programma op te stellen en toe te passen. De gelijkwaardigheid moet aangetoond worden door de exploitant en moet opgenomen worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Aan de toepassing van een inrichtingspecifiek programma worden een aantal documentatieverplichtingen gekoppeld. Bij de fijnchemie zoals de farmaceutische productie, staan de installaties veelal binnen opgesteld. Deze installaties vertonen typisch een hoge complexiteit, met veel apparatuur op een kleine oppervlakte, variërende productinhoud en slechts sporadisch gebruik van bepaalde apparatuur. Dat maakt de planning en uitvoering van een klassieke LDAR uitdagend. Elementen die bij een gelijkwaardige methode kunnen worden ingezet, zijn bijvoorbeeld het uitvoeren van lekdichtheidstesten voor elke ingebruikname van de installatie, de aanwezigheid van alternatieve detectiemethodes zoals de metingen in kader van arbeidsveiligheid, de aanwezigheid van gedocumenteerde onderhoudsprogramma’s, metingen met behulp van de IR-camera op installaties en leidingen die geen druktest kunnen ondergaan, … Artikel 11 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.4 van titel II van het VLAREM. Het gaat voornamelijk om tekstuele aanpassingen. Verder wordt verduidelijkt dat als een lek gedetecteerd werd met de meetmethode EN15446:2008, de controlemeting eveneens met deze meetmethode uitgevoerd moet worden. Deze meetmethode wordt namelijk beschouwd als de meest kritische meetmethode. Artikel 12 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.5 van titel II van het VLAREM waarbij een aantal tekstuele aanpassingen doorgevoerd worden. In het derde en vierde lid worden een aantal aanvullingen opgenomen zodat het herstel van lekkende apparaten beter opgevolgd kan worden door de toezichthouder. Artikel 13 Dit artikel heft artikel 5.7.7.1, §2 van titel II van het VLAREM op. Deze paragraaf werd overbodig door de bepalingen vermeld in hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM, aangezien daar voor 1,2-dichloorethaan en dioxinen en furanen emissiegrenswaarden worden opgenomen. Artikel 14 Dit artikel heft artikel 5.7.11.1 van titel II van het VLAREM op. Voor PVC gelden de bepalingen vermeld in hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM. Dit artikel werd hierdoor overbodig. Artikel 15 Dit artikel past artikel 5.7.14.1 van titel II van het VLAREM aan zodat de voorwaarden (incl. emissiegrenswaarden) vermeld in titel II van het VLAREM niet in conflict zijn met deze in de titel III van het VLAREM. Concreet worden de emissiegrenswaarden voor CS2 en H2S in §4 opgeheven. Voor celwol, cellofaan en rayon (textiel) worden de emissiegrenswaarden vermeld in §2 en §3 van dat artikel. Aangezien deze emissiegrenswaarden strenger zijn dan de emissiegrenswaarden die in titel III van het VLAREM worden toegevoegd, worden ze in titel II van het VLAREM behouden. De emissiegrenswaarden voor kunstdarm, kunstzeem en rayon (technisch) worden geschrapt omdat deze niet conform zijn met de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector, zoals omgezet in artikel 3.19.3.4.2, §1, van titel III van het VLAREM. Artikel 16 Dit artikel wijzigt het toepassingsgebied van subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM. In artikel 5.17.4.5.1 van titel II van het VLAREM wordt de uitzondering voor koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst, geschrapt. De subafdeling is van toepassing op bovengrondse vaste houders, er is geen overlap met koelinstallaties en deze uitzondering is bijgevolg niet relevant. De uitzondering voor activiteiten, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst wordt behouden, behalve voor activiteiten die ook onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3.9 van titel III van het VLAREM vallen. Deze uitzondering is namelijk niet opgenomen in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Artikel 17 Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.5.2 van titel II van het VLAREM, waar een onderscheid gemaakt wordt tussen opslagtanks die vloeistoffen als vermeld in artikel 5.17.4.1.9, §1, van titel II van het VLAREM, bevatten, die jaarlijks gemonitord moeten worden, en opslagtanks die andere vloeistoffen bevatten, die tweejaarlijks gemonitord moeten worden en waar houders met een volume kleiner dan 100 m3 of 500 m3 vrijgesteld zijn van deze bepalingen. Het onderscheid in stoffen wordt vervangen door het onderscheid in CMR 1A of 1B stoffen en andere stoffen, in overeenstemming met het onderscheid dat gemaakt wordt in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. De vrijstelling voor houders met een volume kleiner dan 100 m³ of 500 m³ wordt geschrapt voor houders die een onderdeel vormen van een GPBV-installatie die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3.7 of 3.9 van titel III van het VLAREM vallen. Deze vrijstelling voor kleinere opslagtanks was ingeschreven om te vermijden dat elke kleine tank in een kleinschalig bedrijf gecontroleerd zou moeten worden. In het geval van chemische GPBV-installaties en raffinaderijen gaat het evenwel niet over kleinschalige bedrijven. Ook voor installaties die onder de drempels van BBT 22 blijven, wordt het noodzakelijk geacht dat deze opslagtanks gemonitord worden. Voor installaties die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3.7 van titel III van het VLAREM vallen, is in art. 3.7.2.11 reeds voorzien dat de bepalingen van subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM ook gelden voor vaste houders met een volume kleiner dan 500 m3. De verwijzing naar NTA 8399:2015 wordt vervangen door een verwijzing naar de nieuwe Europese norm EN 17628:2022 inzake een standaardmethode om diffuse emissies van vluchtige organische stoffen in de atmosfeer te bepalen. Paragraaf 5 wordt opgeheven, gezien de overgangstermijn van inwerkingtreding reeds verstreken is. Artikel 18 Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.5.3 titel II va het VLAREM. De overgangstermijn, die reeds verstreken is, wordt geschrapt. Artikel 19 Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.5.4 titel II van het VLAREM. De metingen moeten uitgevoerd worden door een erkend laboratorium en niet langer door een meettechnicus. De verwijzing naar NTA 8399:2015 wordt geschrapt. Hoofdstuk 3. Wijzigingen van de bijlagen bij titel II van het VLAREM Artikel 20 Dit artikel wijzigt bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM om de terminologie van sulfide (voorheen onder meer “som van opgelost sulfide en zuur milieu oplosbaar sulfide”, “gemakkelijk vrijkomend sulfide”, “opgelost sulfide” of “zuur oplosbare sulfide”) aan te passen. Op basis van het rapport naar impact van de implementatie van BBT-conclusies in methode compendia (WAC en LUC) werd o.a. een overzicht gemaakt naar terminologie per parameter. Daarbij werd duidelijk dat het uniformiseren van het gebruik van termen voor het meten van “sulfide” aangewezen is. In bijlage 4.2.5.2 wordt nu een opsplitsing gemaakt tussen “opgelost sulfide” en “zuur milieu oplosbaar sulfide”, terwijl in de Europese BREFs de terminologie “sulfide” wordt gehanteerd. De huidige WAC methode – die een soort “totaal sulfide” gehalte omhelst – zal technisch worden behouden, m.a.w. er zijn geen implicaties naar uitvoering voor de erkende laboratoria (enkel dus een andere terminologie bij rapportering). Daarom is het aangewezen overal “sulfide” te gebruiken en te meten. We gaan er van uit dat dit in de praktijk reeds nu het geval is. Artikel 21 Dit artikel vervangt in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM de benaming van de parameters “zwavelwaterstof”, “1,2-epoxypropaan”, “1,2-dichloorethaan” en “zwavelkoolstof” door respectievelijk “waterstofsulfide”, “propyleenoxide”, “ethyleendichloride” en “koolstofdisulfide”. Dit betreft louter een tekstuele aanpassing in overeenstemming met de terminologie die gebruikt wordt in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Artikel 22 Dit artikel wijzigt hoofdstuk I van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM. Er worden een aantal tekstuele verbeteringen doorgevoerd. Het woord ‘inrichting’ wordt vervangen door ‘ingedeelde inrichting of activiteit’. Dit betreft louter een tekstuele aanpassing volgens de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. De uitsluiting voor methaan wordt geschrapt om conformiteit met de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector te garanderen. Ten slotte wordt aan de tabel 1 voor de bepaling van het lekpotentieel een voetnoot (3) toegevoegd welke stelt dat aan technisch dichte apparaten een emissiefactor van 0 mag toegekend worden. Door de (initieel voorlopige) toekenning van een “0” emissiefactor / emissiepotentieel aan technisch dichte apparatuur, zullen deze apparaten momenteel niet doorwegen bij de berekening van de drempelwaarden ter toepassing van een LDAR meetprogramma. Indien technisch dichte apparaten op geschikte wijze worden geselecteerd, geïnstalleerd en onderhouden (i.e. overeenkomstig het procestype en de bedrijfsomstandigheden van het proces), zoals ook gespecifieerd in de definitie van “technische dichte apparaten”, kan er van uitgegaan worden dat het lekpotentieel van deze apparaten verwaarloosbaar is. Bijgevolg is een emissiefactor van 0 te verantwoorden voor dit type apparatuur, indien correct toegepast. Technisch dichte apparatuur worden wel opgenomen in het LDAR meetprogramma ter controle. Op basis van de resultaten/meetgegevens de komende jaren zullen de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en de afdeling GOP de aanpak voor technische dichte appratuur verder opvolgen. Moest het nodig blijken, dan kunnen de emissiefactoren voor technische dichte apparatuur nog worden bijgestuurd in de toekomst. Het toekennen van een “0” emissiefactor voor technisch dichte apparatuur kan ten slotte een stimulans zijn voor bedrijven om zo veel mogelijk voor deze best presenterende apparatuur (inzake het vermijden van lekken) te kiezen waar dit mogelijk is. Artikel 23 Dit artikel wijzigt hoofdstuk II van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM. De toe te passen meetmethoden worden geactualiseerd volgens de toepasselijke Europese norm EN 17628:2022. Ook een andere gelijkwaardige meetmethodiek kan toegepast worden. Daarnaast worden er een aantal tekstuele verbeteringen doorgevoerd. Artikel 24 Dit artikel heft hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM op. Dit hoofdstuk was nog gelinkt aan het gebruik van steekproeven uit een oude methodiek, die sinds 2019 vervangen werd door een nieuwe methodiek. Artikel 25 Dit artikel wijzigt hoofdstuk IV van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM. BBT 23 van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector bepaalt dat technisch dichte apparaten worden geselecteerd, geïnstalleerd en onderhouden overeenkomstig het procestype en de bedrijfsomstandigheden van het proces. Deze zinsnede wordt ingevoegd in het artikel. Daarnaast wordt een typfout gecorrigeerd. Artikel 26 Dit artikel wijzigt hoofdstuk V van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM. Er worden een aantal tekstuele verbeteringen doorgevoerd. Het woord ‘inrichting’ wordt vervangen door ‘ingedeelde inrichting of activiteit’. Dit betreft louter een tekstuele aanpassing volgens de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. Artikel 27 Dit artikel wijzigt hoofdstuk VI van bijlage 4.4.6 bij titel II van het VLAREM. Er worden een aantal tekstuele verbeteringen doorgevoerd. Het woord ‘inrichting’ wordt vervangen door ‘ingedeelde inrichting of activiteit’. Dit betreft louter een tekstuele aanpassing volgens de terminologie gebruikt in het DABM en het Omgevingsvergunningsbesluit. De verwijzing naar type 1 en type 2 producten wordt vervangen door “VOS die zijn ingedeeld als CMR 1A of 1B” en “andere VOS dan de VOS die zijn ingedeeld als CMR 1A of 1B” in overeenstemming met de bepalingen in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Artikel 28 Dit artikel wijzigt bijlage 5.3.2 bij titel II van het VLAREM om de huidige terminologie gebruikt in titel II van het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. “de som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide” wordt telkens vervangen door “sulfide”. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Hoofdstuk 4. Wijzigingen van titel III van het VLAREM Artikel 29 Dit artikel wijzigt hoofdstuk 2.3 van titel III van het VLAREM. Er worden afdelingen gecreëerd binnen dit hoofdstuk om een overzichtelijke structuur te verkrijgen (“2.3.1 algemene bepalingen”, “2.3.2 Monitoring luchtemissies” en “2.3.3 Monitoring wateremissies”). Verder betreft dit een verplaatsing van de algemene voorwaarden rond monitoring van lucht- en wateremissies uit de verschillende hoofdstukken van titel III van het VLAREM naar deze nieuwe afdelingen. Voor het uitvoeren van emissiemetingen op batchprocessen wordt expliciet verwezen naar de code van goede praktijk. De huidige artikels 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 worden onder de nieuwe afdeling 2.3.1 met algemene bepalingen gebracht. Huidige artikels 2.3.2 en 2.3.3 wijzigen niet, dit zijn omzettingen uit de Richtlijn Industriële Emissies en blijven behouden. In huidig artikel 2.3.1 wordt de beperking geschrapt dat de basismeetfrequentie maximaal met 1/4e kan dalen. Wel blijft behouden dat de meetfrequentie maximaal kan dalen tot eenmaal per jaar. Via artikel 2.3.3.2 wordt de mogelijkheid gelaten om dagelijkse of wekelijkse metingen uit titel III van het VLAREM ook door de exploitant zelf te laten uitvoeren (zonder de goedkeuring vermeld in artikel 4.2.5.2.1, §3, eerste lid, van titel II van het VLAREM) i.p.v. de algemeen geldende verplichting om metingen te laten uitvoeren hetzij door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, hetzij door de exploitant volgens een methode, goedgekeurd door zo’n laboratorium. De eigen dagelijkse of wekelijkse monitoring (uitgevoerd zonder goedkeuring door een laboratorium) moet niet noodzakelijk voldoen aan artikel 2.3.3.1, welke stelt dat de monitoring wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Indien geen WAC-meetmethode wordt gevolgd, moeten wel de CEN- of ISO-normen worden toegepast. Dit maakt mogelijk dat bedrijven kuvetten(snel)testen of inline-metingen toepassen voor de dagelijkse of wekelijkse controle, onder voorwaarde dat deze testen conform CEN- of ISO-normen zijn. Indien voor de optie van eigen dagelijkse of wekelijkse metingen gekozen wordt, moeten deze dagelijkse of wekelijkse metingen aangevuld worden met erkende metingen volgens de meetfrequentie vermeld in bijlage 4.2.5.2, artikel 2, bij titel II van het VLAREM. Beide datasets (eigen dagelijkse of wekelijkse metingen + minder frequente erkende metingen) worden ten minste jaarlijks beoordeeld door een erkend laboratorium, die eerst ook de opstart ervan beoordeelt. Resultaten van eigen dagelijkse of wekelijkse monitoring (uitgevoerd zonder goedkeuring door een laboratorium) kunnen niet worden aangewend voor het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM. De beoordeling van beide datasets door een erkend laboratorium zal verlopen volgens een (nog uit te werken) code van goede praktijk. Om een gelijk speelveld te creëren in de beoordeling door de erkende laboratoria zijn bijkomende richtlijnen immers aangewezen. In die code dient bijvoorbeeld verduidelijk te worden: • op welke wijze deze beoordeling dient te worden uitgevoerd door een laboratorium in de discipline water; • op welke wijze het overeenstemmen van de resultaten kan gecontroleerd worden door een laboratorium in de discipline water; • wat zijn de minimale kwaliteitsborgingsvereisten bij het uitvoeren van analyses door de exploitant. Artikel 30 In artikel 3.1.3.1.2, 1° van titel III van het VLAREM worden de zinnen die betrekking hebben op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgeheven. Deze bepaling wordt namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3 (zie wijzigingsartikel 29), en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen. Artikel 31 In artikel 3.1.5.2.4 van titel III van het VLAREM krijgt in de tabel de term “sulfide” de voorkeur boven de vroeger gangbare term “som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 32 In artikel 3.1.8.1.2 van titel III van het VLAREM wordt het vijfde lid opgeheven. Deze bepaling die betrekking heeft op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen wordt namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 33 Deze wijziging gaat om een louter tekstuele aanpassing. De bepalingen rond de periodieke metingen van emissies naar lucht worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 34 Punt 1 van dit artikel heft de zinnen rond de toe te passen meetmethoden voor de monitoring van lucht- en wateremissies in artikel 3.3.3.1 van titel III van het VLAREM op. Deze bepaling wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Verder krijgt door punt 2 in de tabel de term “sulfide” de voorkeur boven de vroeger gangbare term “som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 35 Dit artikel wijzigt artikel 3.3.6.1 van titel III van het VLAREM. De term “sulfide” krijgt de voorkeur boven de vroeger gangbare term “som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 36 Bij artikel 3.3.6.2 van titel III van het VLAREM krijgt term “sulfide” de voorkeur boven de vroeger gangbare term “som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 37 Artikel 3.4.2.2 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 38 Artikel 3.4.2.3 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven aangezien deze bepaling m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 39 In artikel 3.4.3.18 van titel III van het VLAREM worden de zinnen die betrekking hebben op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgeheven. Deze bepaling wordt namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 40 In artikel 3.4.4.20 van titel III van het VLAREM worden de zinnen die betrekking heeft op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgeheven. Deze bepaling wordt namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 41 Artikel 3.5.2.4 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van lucht- en wateremissies wordt opgeheven, aangezien deze bepaling opgenomen wordt in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.3.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 42 Punt 12° van artikel 3.6.1.2 van titel III van het VLAREM, waarin de definitie voor vluchtige organische stof opgenomen is, wordt opgeheven. Deze definitie wordt opgenomen in de algemene definities voor luchtverontreiniging in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de definities in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 2, punt 2°). Artikel 43 Artikel 3.6.2.3.4 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven, aangezien deze bepaling opgenomen wordt in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 44 In artikel 3.6.2.6.3 van titel III van het VLAREM wordt het eerste lid vervangen en het tweede lid opgeheven, aangezien de bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies uit punt 1 opgenomen worden in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 45 Artikel 3.6.2.6.4 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven, aangezien deze bepaling opgenomen wordt in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 46 Punten 6° en 7° van artikel 3.7.1.1 van titel III van het VLAREM, waarin de definities voor VOS en diffuse VOS-emissies opgenomen zijn, worden opgeheven. Deze definities wordt opgenomen in de algemene definities voor luchtverontreiniging in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de definities in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 2, punt 2°). Artikel 47 Artikel 3.7.2.6 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van emissies naar lucht worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 48 Artikel 3.7.2.9 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven, aangezien deze bepaling opgenomen wordt in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 49 In artikel 3.7.2.15 van titel III van het VLAREM worden de bepalingen m.b.t. toe te passen bemonsteringsmethoden voor watermonsters opgeheven omdat deze bepalingen opgenomen zijn in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. Ook de bepalingen m.b.t. meetmethoden voor de monitoring van wateremissies worden opgeheven omdat deze worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 (zie wijzigingsartikel 29). Bijgevolg kunnen deze geschrapt worden in de sectorale bepalingen. Artikel 50 Artikel 3.8.7.1.2 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van emissies naar lucht worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 51 Artikel 3.8.7.1.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 52 Artikel 3.8.8.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 53 Punt 3° van artikel 3.9.1.2 van titel III van het VLAREM, waarin de definitie voor vluchtige organische stof opgenomen is, wordt opgeheven. Deze definitie wordt opgenomen in de algemene definities voor luchtverontreiniging in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de definities in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 2, punt 2°). Artikel 54 In artikel 3.9.3.2 van titel III van het VLAREM worden de bepalingen opgeheven m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies. Deze worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 55 Artikel 3.9.4.1 van titel III van het VLAREM wordt vervangen, waarbij voor de raming en monitoring van diffuse VOS-emissies naar lucht verwezen wordt naar de nieuwe artikels 3.19.2.6.2 en 3.19.2.6.4. De bepalingen in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector (WGC) en voor gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector (CWW) zijn namelijk gelijkaardig, maar de bepalingen in WGC zijn concreter en duidelijker. Artikel 56 Punt 6° van artikel 3.10.1.2 van titel III van het VLAREM, waarin de definitie voor vluchtige organische stof opgenomen is, wordt opgeheven. Deze definitie wordt opgenomen in de algemene definities voor luchtverontreiniging in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de definities in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 2, punt 2°). Artikel 57 Artikel 3.10.2.5.6 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van emissies naar lucht worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 58 Artikel 3.10.2.5.7 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 59 Artikel 3.10.2.6.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 60 In artikel 3.12.1.1. van titel III van het VLAREM wordt punt 13 met de definitie van gemakkelijk vrijkomende sulfide opgeheven. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 61 In artikel 3.12.2.1.9 van titel III van het VLAREM wordt het eerste lid vervangen en het tweede en derde lid opgeheven, aangezien de bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies en rond monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgenomen worden in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 en artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 62 Artikel 3.12.2.3.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (zie wijzigingsartikel 29). Artikel 63 In artikel 3.12.2.3.6 van titel III van het VLAREM worden de bepalingen m.b.t. toe te passen bemonsteringsmethoden voor watermonsters opgeheven omdat deze bepalingen opgenomen zijn in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. Ook de bepalingen m.b.t. meetmethoden voor de monitoring van wateremissies worden opgeheven omdat deze worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 (zie wijzigingsartikel 29). Bijgevolg kunnen deze geschrapt worden in de sectorale bepalingen. Verder krijgt in de tabel de term “sulfide” de voorkeur boven de vroeger gangbare term “gemakkelijk vrijkomend sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 64 Dit artikel wijzigt artikel 3.12.2.6.3 van titel III van het VLAREM. De term “sulfide” krijgt de voorkeur boven de vroeger gangbare term “gemakkelijk vrijkomend sulfide” om de huidige terminologie gebruikt in het VLAREM te uniformeren en af te stemmen op de terminologie gebruikt in de BBT-conclusies. Zie motivatie bij wijzigingsartikel m.b.t. artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM betreffende sulfide (zie wijzigingsartikel 20). Artikel 65 In artikel 3.13.2.2.1 van titel III van het VLAREM worden het eerste tot en met het derde lid opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 66 Artikel 3.13.2.2.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 67 Artikel 3.13.2.7.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 68 In artikel 3.13.10.2.4 van titel III van het VLAREM worden de zinnen die betrekking hebben op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 69 In artikel 3.13.11.1.4 van titel III van het VLAREM wordt voetnoot 2 die betrekking heeft op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen opgeheven., Deze bepaling wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 70 Dit artikel zorgt voor de opheffing van de definities “diffuse emissies” en “vluchtige organische stof”. De definities die opgenomen worden in de algemene definities voor luchtverontreiniging in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM (zie wijzigingsartikel 2, punt 2°) zijn in overeenstemming met de definities uit de BBT-conclusies voor afvalbehandeling. Bijgevolg worden de definities in de sectorale bepalingen geschrapt. Artikel 71 Artikel 3.14.2.3.2 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 72 Artikel 3.14.2.4.1 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 73 Artikel 3.14.2.4.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 74 In artikel 3.14.3.1.3 van titel III van het VLAREM wordt het tweede lid dat betrekking heeft op monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen en dioxineachtige PCB’s opgeheven. Deze bepalingen worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 75 In artikel 3.14.5.8.2 van titel III van het VLAREM wordt voetnoot 2 die betrekking heeft op monitoringsvereisten voor dioxineachtige PCB’s opgeheven. Deze bepaling wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 76 Artikel 3.15.2.2.2 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van luchtemissies worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 77 Artikel 3.15.2.4.2 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 78 Artikel 3.15.2.4.3 van titel III van het VLAREM wordt vervangen. De bepaling m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies worden opgeheven, vermits dit wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 79 In artikel 3.15.2.4.4 van titel III van het VLAREM wordt het tweede lid opgeheven. De bepaling dat metingen worden uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden wordt namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM (wijzigingsartikel 29). Bijgevolg wordt dit geschrapt in de sectorale bepalingen. Artikel 80 Dit artikel past in artikel 3.16.1.2 van titel III van het VLAREM de terminologie aan in de definitie voor “gekanaliseerde emissie”. De normaal in titel II en titel III van het VLAREM gehanteerde terminologie betreft “geleide emissie”. Artikel 81 Dit artikel wijzigt artikel 3.16.2.2.2 van titel III van het VLAREM. De bepalingen m.b.t. de periodieke metingen van luchtemissies en monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen in geval van kortdurende bemonstering worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 en artikel 2.3.2.3 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 82 Artikel 3.16.4.2 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 83 Artikel 3.16.4.3 van titel III van het VLAREM wordt vervangen. Het betreft hoofdzakelijk een tekstuele wijziging, waarbij o.m. de woorden “gekanaliseerde emissies” vervangen worden door de woorden “geleide emissies”. Deze wijziging is in overeenstemming met de normaal in titel II en titel III van het VLAREM gehanteerde terminologie “geleide emissie”. Tevens wordt een bepaling toegevoegd die stelt dat de werking van de installatie in dat geval geregistreerd wordt. Dit vereenvoudigt de controle door de toezichthouder. Artikel 84 Artikel 3.16.4.5 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 85 Dit wijzigingsartikel vervangt het opschrift van onderafdeling 3.16.1.2 van titel III van het VLAREM. De woorden “gekanaliseerde emissies” worden vervangen door de woorden “geleide emissies”. Het betreft een tekstuele aanpassing, in overeenstemming met de normaal in titel II en titel III van het VLAREM gehanteerde terminologie “geleide emissie”. Artikel 86 In artikel 3.16.7.2.2 van titel III van het VLAREM wordt de voetnoot 4 vervangen. De bepaling m.b.t. monitoringsvereisten voor dioxinen en furanen wordt opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.3, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 87 In artikel 3.16.7.2.5 van titel III van het VLAREM worden de woorden “gekanaliseerde emissies” vervangen door de woorden “geleide emissies”. Dit betreft een louter tekstuele wijziging in overeenstemming met de normaal in titel II en titel III van het VLAREM gehanteerde terminologie “geleide emissie”. Artikel 88 Artikel 3.17.2.2 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen m.b.t. de periodieke metingen van luchtemissies worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 89 Artikel 3.17.3.6.2 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 90 Artikel 3.17.3.6.5 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 91 In artikel 3.17.17.10.1 van titel III van het VLAREM wordt paragraaf 1 m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 92 Artikel 3.18.2.2.2 van titel III van het VLAREM wordt opgeheven. De bepalingen rond de periodieke metingen van emissies naar lucht worden opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.2 van titel III van het VLAREM, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 93 Aan artikel 3.18.2.2.3 van titel III van het VLAREM wordt een bepaling toegevoegd die verduidelijkt hoe de emissies van afzonderlijke emissiepunten afgetoetst moet worden indien deze samen te beschouwen zijn. Het aftoetsen van de debietgewogen gemiddelde concentratie is analoog met de bepaling zoals opgenomen in artikel 4.4.3.3, §2, van titel II van het VLAREM. De sectorale bepaling zoals opgenomen in artikel 3.18.2.2.3 van titel III van het VLAREM geldt in afwijking van de algemene bepaling zoals opgenomen in artikel 4.4.3.3, §2, van titel II van het VLAREM, bijgevolg dient dit verduidelijkt te worden. Artikel 94 Artikel 3.18.2.2.4 van titel III van het VLAREM wordt vervangen. Het betreft louter een correctie van een erratum. De formule en de hiernavolgende tekst werden foutief opgenomen in het Belgisch Staatsblad. Artikel 95 Artikel 3.18.2.4.2 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van luchtemissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.2.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 96 Artikel 3.18.2.4.3 van titel III van het VLAREM m.b.t. toe te passen meetmethoden voor de monitoring van wateremissies wordt opgeheven. De bepalingen worden namelijk opgenomen in de algemene bepalingen van hoofdstuk 2.3, artikel 2.3.3.1, en bijgevolg geschrapt in de sectorale bepalingen (wijzigingsartikel 29). Artikel 97 Dit punt vervangt de eenheid “MJ/t” telkens door “kWh/t” in artikel 3.18.2.6.6. Het gaat om een rechtzetting van een fout bij de omzetting van het de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie (besluit van de Vlaamse Regering van 20 oktober 2023 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie). Deze wijziging is een loutere correctie. Artikel 98 Punt 1° vervangt in artikel 3.18.2.9.1, §4 van titel III van het VLAREM in de tabel de rij rond de parameter stof. Het betreft een correctie van een erratum, waarbij de emissiegrenswaarde met een waarde van 10 mg/Nm3 niet werd opgenomen in de tekst in het Belgisch Staatsblad. Punt 2° vervangt de voetnoot “(1)”. Wanneer de emissiegrenswaarde uit de BBT-conclusies niet van toepassing is, valt men namelijk terug op de algemene emissiegrenswaarde uit titel II van het VLAREM. Voor stof dient deze opgenomen te worden in voetnoot (1). Artikel 99 Dit artikel voegt een hoofdstuk toe aan deel 3 “Sectorale Milieuvoorwaarden” van titel III van het VLAREM, namelijk Hoofdstuk 3.19 Gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. Hoofdstuk 3.19 bestaat uit volgende elementen: Titel III van het VLAREM BBT-conclusies Toelichting Afdeling 3.19.1. Toepassingsgebied en definities 3.19.1.1. Toepassingsgebied - De activiteiten waarop de BBT-conclusies al dan niet betrekking hebben worden opgenomen. Zowel de rubrieken van de indelingslijst worden vermeld, als de overeenkomstige GPBV-activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 1 bij titel III van het VLAREM. In deze bijlage worden de GPBV-activiteiten van bijlage I bij de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) letterlijk opgenomen. Deze bijlage heeft betrekking op het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 van deze richtlijn. Gezien het belang van dit toepassingsgebied werd ervoor geopteerd om deze integraal over te nemen als bijlage 1 bij titel III van het VLAREM met het oog op eenvoud en transparantie van de omzetting van het toepassingsgebied van de BBT-conclusies. - De indelingslijst, vermeld in §1, 1°, van dit artikel, wordt gedefinieerd in het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM), met name als de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden. In het omgevingsvergunningsbesluit wordt verder gedefinieerd dat de indelingslijst de lijst is, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM. - De BBT-conclusies hebben betrekking op de emissies naar lucht afkomstig van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, vermeld in rubriek 5.5 en 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM, en is daarnaast ook van toepassing op de geleide emissies naar lucht van stikstofoxiden en koolstofmonoxide afkomstig van de thermische behandeling van afgassen die ontstaan bij de productieprocessen, alsook op emissies naar lucht afkomstig van de opslag, overbrenging en hantering van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen indien ze rechtstreeks verband houden met een activiteit die valt onder dit hoofdstuk. - In §2 van dit artikel, worden de activiteiten vermeld die niet onder het hoofdstuk 3.19 vallen, waaronder onder meer: Onder punt 1°: emissies naar lucht van de productie van chloor, waterstof en natrium-/kaliumhydroxide door de elektrolyse van pekel. Deze activiteiten vallen onder de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali (CAK); Onder punt 2°: geleide emissies naar lucht van de productie van de volgende chemische producten in continue processen wanneer de totale productiecapaciteit voor die chemische producten meer dan 20 kt/jaar bedraagt: lagere olefinen met behulp van stoomkraakprocessen; formaldehyde; ethyleenoxide en ethyleenglycolen; fenol uit cumeen; dinitrotolueen uit tolueen, tolueendiamine uit dinitrotolueen, tolueendiisocyanaat uit tolueendiamine, methyleendifenyldiamine uit aniline, methyleendifenyldiisocyanaat uit methyleendifenyldiamine; ethyleendichloride (EDC) en vinylchloridemonomeer (VCM); waterstofperoxide. Deze activiteiten vallen onder de BBT-conclusies voor de productie van organische bulkchemicaliën (LVOC). Uitsluitend de geleide emissies gelinkt aan de bovenvermelde productieprocessen van deze activiteiten worden uitgesloten uit dit hoofdstuk. Diffuse emissies, inclusief/evenals emissies naar lucht afkomstig van de opslag, overbrenging en hantering van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen, worden niet uitgesloten en vallen dus binnen het toepassingsgebied van deze BBT-conclusies. Geleide emissies naar lucht van stikstofoxiden (NOx) en koolstofmonoxide (CO) afkomstig van de thermische behandeling van afgassen die ontstaan bij de bovengenoemde productieprocessen vallen echter wél binnen het toepassingsgebied van deze BBT-conclusies; Onder punt 3°: emissies naar lucht van de productie van de volgende anorganische chemische producten: ammoniak; ammoniumnitraat; calciumammoniumnitraat; calciumcarbide; calciumchloride; calciumnitraat; zwartsel (carbon black); ijzerchloride; ijzersulfaat (d.w.z. gekristalliseerd ijzersulfaat en aanverwante producten, zoals chloorsulfaten); waterstoffluoride; anorganische fosfaten; salpeterzuur; stikstof-, fosfor- of kaliumhoudende (enkelvoudige of samengestelde) meststoffen; fosforzuur; geprecipiteerd calciumcarbonaat; natriumcarbonaat; natriumchloraat; natriumsilicaat; zwavelzuur; synthetisch amorf silica; titaandioxide en aanverwante producten; ureum; ureum-ammoniumnitraat. Zowel de geleide als diffuse emissies van deze activiteiten zijn uitgesloten uit dit hoofdstuk. Deze activiteiten vallen mogelijk onder de in opmaak zijnde BBT-conclusies voor de productie van anorganische bulkchemicaliën (LVIC) (bij het schrijven van dit hoofdstuk zijn er nog geen gepubliceerde BBT-conclusies voor de LVIC-industrie, dus nog geen omzetting naar titel III van het VLAREM); Onder punt 4°: emissies naar lucht afkomstig van stoomreforming en van de fysische zuivering en reconcentratie van gebruikt zwavelzuur, op voorwaarde dat deze processen rechtstreeks verband houden met een productieproces als bedoeld in punt 2° of punt 3°; Onder punt 5°: emissies naar lucht afkomstig van de productie van magnesiumoxide via het droge procedé. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide (CLM); Onder punt 6°: emissies naar lucht afkomstig van: andere stookinstallaties dan procesfornuizen/verhitters. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties (LCP), de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas (REF) en/of Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad; procesfornuizen/verhitters met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW; procesfornuizen/verhitters die worden gebruikt bij de productie van lagere olefinen, ethyleendichloride en/of vinylchloridemonomeer als bedoeld in punt 2°, a) en f). Deze activiteit valt onder de BBT-conclusies voor de productie van organische bulkchemicaliën (LVOC); Onder punt 7°: emissies naar lucht van afvalverbrandingsinstallaties. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor afvalverbranding (WI); Onder punt 8°: emissies naar lucht van de opslag, overbrenging en hantering van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen, voor zover deze niet rechtstreeks verband houden met de chemische industrie (activiteit 4 als gespecificeerd in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU). Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor emissies uit opslag (EFS). Deze emissies naar lucht van de opslag, overbrenging en hantering van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen, vallen echter wel binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk als deze processen rechtstreeks verband houden met de chemische productieprocessen die onder dit hoofdstuk vallen; Onder punt 9°: emissies naar lucht van indirecte koelsystemen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor industriële koelsystemen (ICS). - Deze BBT-conclusies (dit hoofdstuk) gelden onverminderd andere toepasselijke wetgeving, bijvoorbeeld inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) en betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP). 3.19.1.2. Afkortingen en definities Enkel definities die ontbreken of niet gelijk zijn aan definities reeds opgenomen in het VLAREM én welke nodig zijn om de sectorale voorwaarden te kunnen begrijpen worden opgenomen. Enkele verduidelijkingen: Sommige definities worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM omdat ze vermeld staan of zullen worden in titel II van het VLAREM, e.g. fugitieve emissie, niet-fugitieve emissie, diffuse emissie, vluchtige organische stof; Sommige definities worden niet opgenomen omdat ze veel gebruikte termen zijn en daardoor algemeen bekend, e.g. continue meting, emissies naar lucht, periodieke meting; Voor sommige definities wordt doorverwezen naar een bestaande definitie in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, onder definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen, e.g. input aan oplosmiddelen, oplosmiddelenverbruik; Polymeerkwaliteit wordt beschreven bij het relevante artikel en voor het betreffende polymeer (als polyolefinekwaliteit of PVC-kwaliteit); De term “thermische behandeling” wordt niet gedefinieerd maar voluit geschreven doorheen de tekst als “thermische behandeling of katalytische oxidatie van afgassen”; Met de term “oplosmiddel” wordt “organisch oplosmiddel” bedoeld; De term “stookinstallatie” wordt vervangen door “verbrandingseenheid” zodat er een gelijke terminologie gebruikt wordt doorheen titel III van het VLAREM; De term “procesfornuis” wordt vervangen door “procesoven” zodat er een gelijke terminologie gebruikt wordt doorheen titel III van het VLAREM. Ook in de definitie zelf worden een aantal termen toegevoegd of vervangen (e.g. toevoeging “waarvan de rookgassen” in punt a), vervanging van de term “toevoermateriaal” door “grondstoffen” in punten a) en b)) omwille van deze gelijke terminologie doorheen titel III van het VAREM. Verbrandingseenheden die worden gebruikt voor de behandeling van voorwerpen of grondstoffen door direct contact kan bijvoorbeeld bij droogprocessen of chemische reactoren. Verbrandingseenheden waarvan de stralings- of geleidingswarmte door een vaste wand heen wordt overgebracht zonder dat deze overdracht via een intermediaire warmteoverdrachtsvloeistof verloopt, kan bijvoorbeeld bij fornuizen of reactoren voor de verwarming van een processtroom in de (petro)chemische industrie; De definitie van NOx-precursoren wordt niet opgenomen onder artikel 3.19.1.2, maar wordt gedefinieerd daar waar de term wordt gebruikt; De afkortingen EVA, PVC en VCM worden aan de definities toegevoegd aangezien deze geen gekende afkortingen zijn in het VLAREM maar wel gebruikt worden doorheen de tekst. De definitie “geleide emissie” uit de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector wordt hier ingevoegd. Analoog met gelijkaardige definities uit andere BBT-conclusies, wordt verduidelijkt dat het niet enkel gaat over een emissie uit een schoorsteen, maar ook via kanalen of leidingen. Ook emissies van verontreinigende stoffen uit andere gekanaliseerde punten zoals kanalen of leidingen dienen te voldoen aan de voorwaarden voor geleide emissies. Belangrijke randvoorwaarde bij deze laatste gevallen is wel dat deze gemeten kunnen worden met een meetmethode zoals vermeld in artikel 4.4.4.2, §2, eerste lid. In de huidige definitie in titel II van het VLAREM wordt verwezen naar een bepaalbaar debiet. Het niet of met een lagere nauwkeurigheid kunnen bepalen van het debiet kan echter geen argument zijn om de emissie niet als geleid te beschouwen. De compendiummethoden laten toe om metingen uit te voeren op de diverse bronnen. De toepasselijke voorwaarden voor geleide emissies dienen ook nageleefd te worden voor bronnen waar het debiet niet of met onvoldoende nauwkeurigheid bepaald kan worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor discontinue emissies. Het is correct aan te nemen dat bij lagere gassnelheden de meetonzekerheid snel zal toenemen. Er dient echter in de eerste plaats onderzocht te worden of er andere meettechnieken beschikbaar zijn die het volumedebiet met een hogere nauwkeurigheid kunnen bepalen. Ook kan er bekeken worden of er andere mogelijkheden zijn tot het verhogen van het debiet, zoals o.a. het vernauwen van de schoorstenen of het verdunnen van de afgasstromen met voorverwarmde lucht zodat de snelheid verhoogt. Achteraf dienen de meetresultaten mogelijk wel gecorrigeerd te worden. Ook het berekenen via een massabalans is een mogelijkheid die bekeken kan worden. Indien er nood is om af te wijken van de klassieke meetmethoden, is dit mogelijk op basis van art. 4.4.4.2, §2, derde lid, van titel II van het VLAREM. Open naverbranders die typisch ingezet worden om zowel afgassen van een installatie in normale bedrijfsomstandigheden als hoogcalorische afgassen in andere dan normale bedrijfsomstandigheden te behandelen, kunnen mogelijk niet bemeten worden met de beschikbare meetmethoden en zijn in dergelijke gevallen niet te beschouwen als geleide emissiepunten. Opgemerkt wordt evenwel dat dit losstaat van de beoordeling of deze nabehandelingstechnieken al dan niet als BBT te beschouwen zijn, alsook van de voorwaarden die aan deze nabehandelingstechnieken gesteld kunnen worden. Ook emissies via bijvoorbeeld ontluchters of overdrukventielen worden niet beschouwd als gekanaliseerde emissies. Met de aanpassing van de definitie wordt overeenstemming gegarandeerd met de definitie in de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector. De aanpassing van de definitie heeft geen gevolgen voor de bepaling welke diffuse bronnen afgezogen moeten worden naar een geleid emissiepunt. Hiervoor blijft de bestaande wetgeving van toepassing, o.m. artikel 4.4.2.1 en artikel 4.4.2.2 van VLAREM II. Voor de behandeling van diffuse bronnen worden kostenefficiëntie, milieubaten en technische haalbaarheid tegenover elkaar afgewogen. Afdeling 3.19.2. Algemene bepalingen Onderafdeling 3.19.2.1. Toepasbaarheid 3.19.2.1.1. Toepasbaarheid BBT 34 De toepasbaarheid van de technieken vermeld in BBT 34 (omgezet in artikel 3.19.3.4.1), is mogelijk beperkt. Gezien de voorwaardelijke formulering in de BBT-conclusies, is een beoordeling nodig. Door dit te verankeren in de omgevingsvergunning kan deze beoordeling gebeuren via de evaluatie- of vergunningsprocedures. Dit biedt de bedrijven rechtszekerheid. Via dit artikel wordt dus de mogelijkheid gegeven om in de vergunning een afwijking toe te staan op deze bepalingen. 3.19.2.1.2. Processpecifieke bepalingen Dit artikel wordt, conform andere omzettingen van BBT-conclusies, opgenomen om onduidelijkheid te vermijden tussen meer algemeen geldende en meer specifieke bepalingen in de BBT-conclusies. Beiden zijn van toepassing. Door dit eenmalig op te nemen in dit artikel, wordt vermeden dat dit telkens herhaald moet worden bij de processpecifieke bepalingen. Onderafdeling 3.19.2.2. Algemene bepalingen 3.19.2.2.1. Algemene overwegingen - De bepaling met betrekking tot het referentiezuurstofgehalte van de emissiegrenswaarden in dit hoofdstuk wijkt af van deze in titel II van het VLAREM en wordt opgenomen. - De bepalingen rond de overige standaardomstandigheden en de omrekeningsformule zijn identiek aan deze die reeds opgenomen zijn in VLAREM (vb. artikel 4.4.3.3, §4, van titel II van het VLAREM), waardoor opname in titel III van het VLAREM niet nodig is. Voor de gevallen dat de omrekeningsformule niet van toepassing is, wordt het alternatief opgenomen in titel III van het VLAREM. Een voorbeeld van zo’n andere berekening is door normalisering op grond van het kooldioxide dat door de verbranding is geproduceerd. Deze berekening moet worden voorgelegd aan de toezichthouder als die daar om vraagt. Algemene overwegingen: periodieke en continue metingen De definities voor periodieke en continue metingen uit de BBT-conclusies worden niet opgenomen in hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM vermits deze algemeen ingevoegd worden in hoofdstuk 2.3 van titel III van het VLAREM. 3.19.2.2.2. Algemene overwegingen: berekening massastromen - De bepalingen met betrekking tot gecombineerde afvoer via de schoorsteen (het emissiepunt) of het vermijden dat stromen worden opgesplitst om een kleinere massastroom te bekomen worden opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze sectorale benadering geldt in afwijking van de algemene bepaling zoals opgenomen in artikel 4.4.3.3, §2. Deze bepaling in artikel 3.19.2.2.2 is enkel relevant waar emissiegrenswaarden of meetfrequenties afhankelijk zijn van massastromen. Voor de emissiegrenswaarden zijn massastromen opgenomen in artikel 3.19.2.5.6 §1, 3.19.2.5.9 §1, 3.19.2.5.12, 3.19.3.2.1 en 3.19.3.4.3, in overeenstemming met respectievelijk BBT’s 11, 14, 18, 29 en 36. Monitoringfrequenties afhankelijk van massastromen zijn opgenomen in artikel 3.19.2.5.6, §2, 3.19.2.5.9, §2, 3.19.2.5.13, 3.19.3.2.1 en 3.19.3.4.3 (in titel III van het VLAREM). Deze massastromen zijn overgenomen uit bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM, waar deze reeds strenger zijn dan de monitoringsvereisten uit de BBT-conclusies. (m.u.v. artikel 3.19.3.2.1 en 3.19.3.4.3, waar de massastromen overgenomen zijn uit BBT 26 en 33). Conform artikel 4.4.4.1, §6, worden de meetfrequenties vermeld in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM reeds toegepast op het geheel van de milieutechnische eenheid. Wanneer de massastroom vermeld in bijlage 4.4.3 overschreden wordt op het niveau van de milieutechnische eenheid gelden de vermelde meetfrequenties dus op elke schoorsteen binnen de milieutechnische eenheid waar die polluent geëmitteerd wordt. Op basis van deze bestaande VLAREM II-regelgeving wordt het principe uit de BBT-conclusies om afzonderlijke emissiepunten waaruit afgassen met vergelijkbare kenmerken geloosd worden en die volgens het oordeel van de vergunningverlener via één gemeenschappelijk emissiepunt zouden kunnen geloosd worden als één emissiepunt te beschouwen niet enkel opgenomen voor de emissiegrenswaarden, maar ook voor de monitoringvereisten. - De term “schoorsteen” uit de BBT-conclusies werd vervangen door “emissiepunt” vermits een emissiepunt ook een ander geleid kanaal kan zijn dan een schoorsteen. Onderafdeling 3.19.2.3. Totale milieuprestatie 3.19.2.3.1. BBT 1. - De elementen van het milieubeheersysteem die steeds van toepassing zijn, worden opgenomen. - De opmerking “Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS) vastgesteld, een voorbeeld van een milieubeheersysteem dat in overeenstemming is met deze BBT.” wordt niet opgenomen. Er is geen verplichting tot een gecertificeerd milieuzorgsysteem, dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT-conclusies, met name dat het toepassingsgebied (bv. de mate van gedetailleerdheid) en de aard (bv. gestandaardiseerd of niet-gestandaardiseerd) van het milieubeheersysteem over het algemeen te maken heeft met de aard, omvang en complexiteit van de installatie en de milieueffecten ervan. - De toepasbaarheid wordt opgenomen in het derde lid. 3.19.2.3.2. BBT 2. - Alle elementen moeten worden toegepast, waardoor de BBT-conclusie in zijn geheel opgenomen wordt in titel III van het VLAREM. - Informatie over de geleide emissies naar lucht dient opgenomen te worden voor relevante stoffen of parameters. De BBT-conclusies verduidelijken niet verder wat “relevante stoffen of parameters” zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om het overzicht zo correct en volledig mogelijk op te stellen. Het doel van het overzicht is de huidige situatie inzake productieprocessen en afgasstromen van de GPBV-installatie in kaart te brengen en vervolgens de emissiebronnen van emissies naar lucht van de installatie te identificeren. Hieruit moet blijken welke relevante stoffen aanwezig zijn in de afgasstromen. In elk geval zijn relevante stoffen minstens alle stoffen waarvan de emissies de massadrempels zoals opgenomen bij de geldende emissiegrenswaarden overschrijden, alsook alle stoffen die mogelijks deze massadrempels kunnen overschrijden. Indien CMR-stoffen gemeten worden in de afgasstroom, zijn deze sowieso te beschouwen als relevant en dienen deze ook opgenomen te worden in het overzicht van de afgasstromen. - Voor de fugitieve emissies kan deels verwezen worden naar de inventaris van alle apparaten uit het meet- en beheersprogramma, zoals opgenomen in artikel 4.4.6.2.2 van titel II van het VLAREM. Voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die niet onder het toepassingsgebied van afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM vallen, alsook voor verticale bovengrondse vaste houders die uitgesloten zijn van dit toepassingsgebied, volstaat een kwantificering van het aantal apparaten per type en per productstroom. - De BBT-conclusies geven mee dat de informatie zo volledig als redelijkerwijs mogelijk is moet worden opgesteld, bijgehouden en regelmatig herzien. - De BBT-conclusies geven ter informatie nog mee dat de informatie over diffuse emissies naar lucht met name relevant is voor activiteiten waarbij grote hoeveelheden organische stoffen of mengsels worden gebruikt (bv. de productie van geneesmiddelen, van organische bulkchemicaliën of van polymeren). Deze informatieve opmerking wordt niet mee opgenomen in het VLAREM. - De uitsluiting van bronnen van fugitieve emissies verbonden met leidingen met een kleine diameter (d.w.z. kleiner dan 12,7 mm oftewel 0,5 inch), alsook van apparatuur die onder subatmosferische druk werkt, staat reeds vermeld in artikel 4.4.6.1.3 van titel II van het VLAREM. De vermelding dat de informatie over fugitieve emissies betrekking heeft op alle emissiebronnen die in contact komen met organische stoffen met een dampspanning boven 0,3 kPa bij 293,15 K, staat reeds vermeld in artikel 4.4.6.2.1. van titel II van het VLAREM. - De toepasbaarheid wordt niet mee opgenomen. De mate van gedetailleerdheid en formalisering van de inventaris zal in de regel afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie, en alle mogelijke milieueffecten ervan. De toepassing ervan is wel algemeen geldig. Onderafdeling 3.19.2.4. Andere dan normale bedrijfsomstandigheden (OTNOC) 3.19.2.4.1. BBT 3. - Alle elementen moeten worden toegepast, waardoor de BBT-conclusie opgenomen wordt in titel III van het VLAREM. - Voor punt 2° vermelden de BBT-conclusies nog dat een passend ontwerp van kritische apparatuur bijvoorbeeld is: modulariteit en compartimentering van de apparatuur, back-upsystemen, technieken om het onnodig te maken tijdens het opstarten en stilleggen de afgasbehandeling uit bedrijf te nemen, technisch dichte apparaten enz. Onderafdeling 3.19.2.5. Geleide emissies naar lucht Algemene technieken 3.19.2.5.1. BBT 4 - De technieken worden opgenomen in titel III van het VLAREM, inclusief de beschrijving dat de geïntegreerde strategie voor afgasbeheer en -behandeling is gebaseerd op de inventaris in BBT 2. - De extra informatie dat in de strategie wordt rekening gehouden met factoren zoals broeikasgasemissies en het verbruik of hergebruik van energie, water en materialen die verband houden met het gebruik van de verschillende technieken, is beschrijvend en wordt niet mee opgenomen. 3.19.2.5.2. BBT 5 - De BBT-conclusie wordt opgenomen in titel III van het VLAREM, inclusief de beschrijving. Voorbeelden worden niet opgenomen in het VLAREM, zoals: 1) de veiligheid van de installatie betreft bv. het vermijden van concentraties dicht bij de laagste en hoogste explosiegrenswaarden; 2) de technische factoren betreffen bv. de compatibiliteit van de afzonderlijke afgasstromen en concentratie van de betrokken stoffen; 3) de milieufactoren betreffen bv. de maximale terugwinning van materialen of de vermindering van verontreinigende stoffen 4) de economische factoren betreffen bv. de afstand tussen verschillende productie-eenheden. - De opmerking met betrekking tot het toezien dat er geen verdunning van emissies optreedt, wordt niet mee opgenomen vermits dit reeds is opgenomen in de definitie van emissiegrenswaarde in titel II van het VLAREM. 3.19.2.5.3. BBT 6 De BBT-conclusie wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Monitoring 3.19.2.5.4. BBT 7 De BBT-conclusie wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - BBT 8 - De vermelding overeenkomstig welke normen de geleide emissies naar lucht moeten gemeten worden, wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM. - Voetnoten 2 en 5 gaan over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoot 3 met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - De meetfrequenties voor emissies naar lucht worden opgenomen bij de implementaties van de overeenkomstige BBT-conclusies (zie verder in deze tabel). Organische verbindingen 3.19.2.5.5. BBT 9 BBT 10 BBT 11 - BBT 9, 10 en 11 kunnen geïnterpreteerd worden als een cascade. De technieken uit deze 3 bepalingen worden daarom samen geïmplementeerd in dit artikel. - BBT 9 heeft voorrang op BBT 10. - “een combinatie van de technieken” in BBT 9 en 11 impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 9 en 11 uit de BBT-conclusies verwezen. - De toepasbaarheid van BBT 9, BBT 10 en BBT 11 is mogelijks beperkt. De toepasbaarheidsbeperkingen uit BBT 9 en BBT 11 worden niet opgenomen, aangezien rechtstreeks verwezen wordt naar BBT 9 en BBT 11. Naar BBT 10 wordt niet rechtstreeks verwezen, bijgevolg wordt deze toepasbaarheidsbeperking wel opgenomen. - De beschrijving van BBT 10 wordt niet mee opgenomen. Daarin wordt ter informatie vermeld dat hoogcalorische procesafgassen als brandstof kunnen worden verbrand in een stookinstallatie (gasmotor, ketel, procesovens of -verhitters) en de warmte kan worden teruggewonnen als stoom of voor elektriciteitsopwekking, of om het proces van warmte te voorzien. Verder wordt in de beschrijving vermeld dat voor procesafgassen met lage VOS-concentraties (d.w.z. < 1 g/Nm3) preconcentratiestappen kunnen worden toegepast met behulp van adsorptie (rotor of vast bed, met actieve kool of zeolieten) om de calorische waarde van de procesafgassen te verhogen. Ten slotte vermelden de BBT-conclusies dat moleculaire zeven (“smoothers”), die doorgaans uit zeolieten bestaan, kunnen worden gebruikt om sterke schommelingen (bv. concentratiepieken) van de VOS-concentraties in de procesafgassen te verminderen. 3.19.2.5.6. BBT 11 Emissiegrenswaarden verwerkt in §1 - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden opgenomen. - Voetnoot 1 van tabel 1.1 bij BBT 11 wordt niet opgenomen vermits dit een algemeen gegeven is. - Voetnoten 2, 6, 7, 8 en 9 van tabel 1.1 bij BBT 11 werden in de tabel verwerkt (niet als voetnoot). - Voetnoten 3, 4, 5, 10 en 11 van tabel 1.1 bij BBT 11 worden mee opgenomen als voetnoot in de tabel. BBT 8 Monitoring verwerkt in §2 - De monitoring uit BBT 8 welke relevant is voor BBT 11 wordt opgenomen in paragraaf 2. Deze monitoringfrequenties zijn de minimale frequenties volgens de BBT-conclusies, tenzij bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM reeds strenger is. In dat geval wordt de strengere meetfrequentie (bv. bij hoge massastromen) behouden en overgenomen in titel III van het VLAREM voor de duidelijkheid. - Voetnoot 1 van BBT 8, met name dat de monitoring alleen van toepassing is wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de inventarisatie van BBT 2 wordt aangemerkt als relevant in de afgasstroom, wordt opgenomen als voetnoot in de tabel. - De te volgen meetmethodes (o.a. voetnoot 2 bij BBT 8) worden verplaatst naar het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 3 van BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 4 bij BBT 8, met name dat afbouw van de meetfrequentie mogelijk is bij voldoende stabiele emissies, wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. Verder is het afbouwen van de meetfrequentie tot slechts éénmaal om de drie jaar voor relevante emissies (want niet-relevante worden uitgesloten via voetnoot 1) niet aangewezen omdat dergelijke lage frequenties geen goede opvolging toelaten. - Voetnoot 5 gaat over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoten 10 en 11 van BBT 8 worden niet opgenomen. Voetnoot 10 informeert dat bij de productie van polyolefinen de monitoring van TVOC-emissies afkomstig van de eindbewerking (bv. drogen, mengen) en van de opslag van polymeren kan worden aangevuld met de monitoring in BBT 24 indien die monitoring een betere weergave van de TVOC-emissies oplevert. Voetnoot 11 informeert datbij de productie van synthetisch rubber de monitoring van TVOC-emissies afkomstig van de eindbewerking (bv. extrusie, drogen, mengen) en van de opslag van synthetisch rubber kan worden aangevuld met de monitoring in BBT 31 indien die monitoring een betere weergave van de TVOC-emissies oplevert. Deze voetnoten laten niet toe de monitoring uit BBT 8 te vervangen, enkel om deze aan te vullen. - Voetnoot 12 van BBT 8 wordt niet opgenomen. Dit is louter een verduidelijking dat de ‘andere CMR-stoffen dan de in deze tabel reeds opgenomen CMR-stoffen’ de CMR naast benzeen, 1,3-butadieen, chloormethaan, dichloormethaan, ethyleendichloride, ethyleenoxide, formaldehyde, propyleenoxide, tetrachloormethaan, tolueen en trichloormethaan zijn. 3.19.2.5.7. BBT 12 BBT 8 - De bovengrens van het BBT-GEN wordt opgenomen in het eerste lid. - De BBT-GEN gelden voor de beschreven processen, de technieken worden niet opgenomen. - De monitoring uit BBT 8 wordt opgenomen in het tweede lid. Dit is de minimale frequentie volgens de BBT-conclusies. - Voetnoot 1 bij BBT 8 (link met de inventarisatie van BBT 2) is hier niet relevant en wordt daarom niet opgenomen. Dit artikel gaat over het meten van dioxinen en furanen bij thermische of katalytische oxidatie van afgassen die chloor of gechloreerde verbindingen bevatten, daar is steeds risico op de vorming ervan. - Voetnoot 3 van BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 9 bij BBT 8, met name dat afbouw van de meetfrequentie mogelijk is bij voldoende stabiele emissies, wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. Stof en deeltjesgebonden metalen 3.19.2.5.8. BBT 13 - “een combinatie van de technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 13 uit de BBT-conclusies verwezen. - BBT 13 vermeldt mogelijke beperkingen op vlak van toepasbaarheid, met name “De terugwinning is mogelijk beperkt wanneer de energievraag voor stofzuivering of -decontaminatie buitensporig hoog is. Specificaties inzake de productkwaliteit kunnen het hergebruik beperken.”. Deze informatie wordt opgenomen in het tweede en derde lid. 3.19.2.5.9. BBT 14 Emissiegrenswaarden verwerkt in §1 - De BBT-GEN gelden voor alle processen, de technieken worden niet opgenomen. - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden opgenomen in het eerste lid. - Voetnoten 5 en 6 van BBT 14 (mogelijke massastromen) worden in de tabel verwerkt (niet als voetnoot). - Voetnoot 1 van BBT 14 vermeldt dat de bovengrens van het bereik is 20 mg/Nm3 is wanneer noch een absoluut-, noch een doekfilter toepasbaar is. Dit wordt als voetnoot opgenomen. - Voetnoot 3 van BBT 14 vermeldt dat bij de productie van complexe anorganische pigmenten die direct worden verhit, en in de droogstap bij de productie van E-PVC, de emissiegrenswaarde voor stof hoger kan zijn en maximaal 10 mg/Nm3 bedragen. Deze informatie wordt opgenomen. - Voetnoot 2 van BBT 14 wordt als voetnoot bij de tabel opgenomen. Wanneer de emissiegrenswaarde uit de BBT-conclusies niet van toepassing is, valt men terug op de algemene emissiegrenswaarde uit titel II van het VLAREM, die in de voetnoot wordt opgenomen. - Voetnoot 4 van BBT 14 wordt opgenomen. Het geeft belangrijke informatie, met name “De stofemissies zullen naar verwachting dicht bij de ondergrens van het BBT-GEN-bereik liggen (d.w.z. minder dan 2,5 mg/Nm3) wanneer de aanwezigheid van als CMR 1A of 1B of CMR 2 ingedeelde stoffen in het stof wordt aangemerkt als relevant (zie BBT 2).”. BBT 8 Monitoring verwerkt in §2 - De monitoring uit BBT 8 welke relevant is voor BBT 14 wordt opgenomen in het tweede lid. Deze monitoringfrequenties zijn de minimale frequenties volgens de BBT-conclusies, tenzij bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM reeds strenger is. In dat geval wordt de strengere meetfrequentie (bv. bij hoge massastromen) behouden en overgenomen in titel III van het VLAREM voor de duidelijkheid. - Voetnoot 1 van BBT 8, met name dat de monitoring alleen van toepassing is wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de inventarisatie van BBT 2 wordt aangemerkt als relevant in de afgasstroom, wordt opgenomen als voetnoot in de tabel. - De te volgen meetmethodes (o.a. voetnoot 2 bij BBT 8) worden verplaatst naar het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 3 van BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 5 gaat over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoten 7 en 9 bij BBT 8, met name dat afbouw van de meetfrequentie mogelijk is bij voldoende stabiele emissies, wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. Verder is het afbouwen van de meetfrequentie tot slechts éénmaal om de drie jaar voor relevante emissies (want niet-relevante worden uitgesloten via voetnoot 1) niet aangewezen omdat dergelijke lage frequenties geen goede opvolging toelaten. - Voetnoot 8 bij BBT 8, met name omtrent afbouw van een continue meetfrequentie bij voldoende stabiele emissies, wordt wel opgenomen, als voetnoot in de tabel. In overeenstemming met artikel 4.4.4.1, §2, kan de continue meetverplichting vervangen worden door een maandelijkse meting, mits een andere continue controle toegepast wordt die garandeert dat de emissiegrenswaarden niet overschreden worden. Goedkeuring hiervoor is vereist via de vergunning. Anorganische verbindingen 3.19.2.5.10. BBT 15 - De BBT-conclusie wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - BBT 15 vermeldt mogelijke beperkingen op vlak van toepasbaarheid, met name “De terugwinning is mogelijk beperkt wanneer de energievraag buitensporig hoog is als gevolg van de lage concentratie van de betrokken verbinding(en) in het procesafgas (de procesafgassen). Specificaties inzake de productkwaliteit kunnen het hergebruik beperken.”. Deze informatie wordt opgenomen in het tweede en derde lid. 3.19.2.5.11. BBT 16 - Techniek c van BBT 16, met name de optimalisering van katalytische of thermische oxidatie, is verplicht en wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Niet alle relevante parameters worden immers afgedekt door een BBT-GEN (CO). - De overige technieken worden niet opgenomen, aangezien één of een combinatie van de technieken mogelijk is en er verder BBT-GEN gelden. 3.19.2.5.12. BBT 16 BBT 17 BBT 18 - De emissiegrenswaarden voor anorganische verbindingen worden gebundeld in dit artikel, met name uit tabel 1.4, 1.5 en 1.6 van de BBT-conclusies. - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden opgenomen. - De emissiegrenswaarden hier vermeld zijn niet van toepassing op procesovens of -verhitters. Deze worden immers vastgelegd in BBT 36, zoals opgenomen in afdeling 3.19.4. Voetnoten uit tabel 1.4 (BBT 16): - Zoals vermeld in voetnoten 1 en 2 van BBT 16, kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor NOX hoger zijn indien het procesafgas hoge concentraties NOX-precursoren bevat. Deze informatie wordt opgenomen. - De indicatieve emissiewaarde voor koolstofmonoxide (CO) van 4-50 mg/Nm³ wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM, maar kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de individuele evaluaties. Voetnoten uit tabel 1.5 (BBT 17): - Zoals vermeldt in voetnoot (1) van BBT 17, kunnen er zich in geval van zeer hoge NOX-concentraties (vb. meer dan 5000 mg/Nm³) vóór de behandeling met selectieve katalytische reductie of selectieve niet-katalytische reductie technieken, hogere emissies voordoen, tot maximaal 40 mg/Nm³. Deze informatie wordt opgenomen. Voetnoten uit tabel 1.6 (BBT 18): - Voetnoten 1 en 8 worden niet omgezet. Doordat tabellen 1.4, 1.5 en 1.6 van de BBT-conclusies in titel III van het VLAREM worden samengevoegd, is geen verduidelijking van de toepasbaarheid nodig. Enkel voor de procesovens en –verhitters wordt een verduidelijking opgenomen, aangezien de BBT-GEN via BBT 36 wordt bepaald. - Voetnoten 2, 4, 6 en 9 (mogelijke massastromen) worden in de tabel verwerkt (niet als voetnoot). - Zoals vermeld in de voetnoot 3 van de BBT-conclusies, kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger zijn bij de droogstap bij de productie van E-PVC en maximaal 20 mg/Nm3 bedragen wanneer het vanwege de productkwaliteitspecificaties niet mogelijk is de ammoniumzouten te vervangen. Deze informatie wordt opgenomen. - Zoals vermeld in de voetnoot 5 van BBT 18, kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger zijn en maximaal 3 mg/Nm3 bedragen bij NOX-concentraties boven 100 mg/Nm3 in verband met analytische interferentie. Deze informatie wordt opgenomen. - Zoals vermeld in de voetnoot 7 van BBT 18, kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger zijn en maximaal 220 mg/Nm3 bedragen bij de productie van explosieven bij de regeneratie of terugwinning van salpeterzuur uit het productieproces. Deze informatie wordt opgenomen. - Zoals vermeld in de voetnoot 10 van BBT 18, kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger zijn bij de productie van caprolactam en maximaal 200 mg/Nm3 bedragen in het geval van procesafgassen die een zeer hoge NOX-concentraties bevatten (d.w.z. meer dan 10000 mg/Nm3) vóór behandeling met SCR of SNCR, wanneer het verwijderingsrendement van de SCR- of SNCR-techniek ≥ 99 % is. Deze informatie wordt opgenomen. - Voetnoot 11 van BBT 18 stelt dat het BBT-GEN voor SO2 niet van toepassing is bij fysische zuivering of reconcentratie van gebruikt zwavelzuur. Dit wordt opgenomen als voetnoot in de tabel. 3.19.2.5.13. BBT 8 - De monitoring uit BBT 8 welke relevant is voor BBT 16, 17 en 18 wordt opgenomen in dit artikel. Deze monitoringfrequenties zijn de minimale frequenties volgens de BBT-conclusies, tenzij bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM reeds strenger is. In dat geval wordt de strengere meetfrequentie (bv. bij hoge massastromen) behouden en overgenomen in titel III van het VLAREM voor de duidelijkheid. - De te volgen meetmethodes (o.a. voetnoot 5 bij BBT 8) worden verplaatst naar het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 1 van BBT 8, met name dat de monitoring alleen van toepassing is wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de inventarisatie van BBT 2 wordt aangemerkt als relevant in de afgasstroom, wordt opgenomen als voetnoot in de tabel daar waar deze relevant is (mogelijks kan toegepast worden). Parameters die de massastromen voor hogere meetfrequenties overschrijden zijn sowieso relevant. Ook is het meten van NOX en CO steeds relevant bij oxidatie en het meten van NH3 bij S(N)CR. - Voetnoot 3 van BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoten 4 en 7 bij BBT 8 wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er zijn nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. Verder is het afbouwen van de meetfrequentie tot slechts éénmaal om de drie jaar voor relevante emissies (want niet-relevante worden uitgesloten via voetnoot 1) niet aangewezen omdat dergelijke lage frequenties geen goede opvolging toelaten. - Meetfrequenties voor procesovens of -verhitters worden opgenomen in afdeling 3.19.4. Onderafdeling 3.19.2.6. Diffuse VOS-emissies naar lucht Beheersysteem voor diffuse VOS-emissies 3.19.2.6.1 BBT 19 - Alle maatregelen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie wordt opgenomen in het VLAREM. Punten vi) en vii) zitten vervat in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM, en worden daarom niet hernomen in titel III van het VLAREM. - voor de opstelling en uitvoering van een meet- en beheersprogramma voor fugitieve VOS-emissies, wordt doorverwezen naar afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. Daar werd immers reeds zo’n beheersprogramma uitgewerkt. Dit bestaande programma wordt aangepast waar nodig om het conform de BBT-conclusies te maken (zie wijzigingsartikels voor afdeling 4.4.6 en bijhorende bijlage). - De toepasbaarheid wordt niet opgenomen. In punt 3° wordt reeds verwezen naar afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM, waar de drempels uit BBT 22 zijn opgenomen. In punt 4°, b), wordt verwezen naar artikel 3.19.2.6.4, waar eveneens de drempels uit BBT 22 zijn overgenomen. De implementatie van de maatregelen zoals vermeld in punten vi) en vii) van BBT 19 is tevens verwerkt in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. - De mate van gedetailleerdheid van het systeem voor het beheer van diffuse VOS-emissies zal in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de installatie, en alle mogelijke milieueffecten ervan, maar de toepassing ervan is wel algemeen geldig. Monitoring 3.19.2.6.2. BBT 20 - De technieken betreffen methodieken om een raming van de diffuse VOS-emissies uit te voeren en worden opgenomen in titel III van het VLAREM. “Een combinatie van de technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast. - De opmerkingen i.v.m. resultaten van de monitoring en i.v.m. de onzekerheid van de raming geven belangrijke informatie en worden mee opgenomen. - De opmerking omtrent geleide emissies wordt opgenomen. Volgens de definitie betreft dit geleide emissies, die in principe gemeten moeten worden met de meetmethodes voor geleide emissies. Indien een nauwkeurige meting echter niet mogelijk is, door de inherente kenmerken van de afgasstroom (vb. lage snelheden, variabiliteit van het debiet en de concentratie), mogen deze geleide emissies voor de bepalingen van dit hoofdstuk beschouwd worden als niet-fugitieve emissies. Dit impliceert dat deze emissies niet moeten voldoen aan de voorwaarden voor geleide emissies, maar wel aan de voorwaarden voor diffuse emissies. 3.19.2.6.3. BBT 21 - De BBT-conclusie rond het opstellen van een oplosmiddelenboekhouding wordt opgenomen in het VLAREM. Er wordt doorverwezen naar bijlage 5.59.3 bij titel III van het VLAREM, aangezien dergelijke oplosmiddelenboekhouding reeds daar wordt gespecifieerd. De vermelde technieken uit BBT 21 zijn reeds opgenomen in bijlage 5.59.3, 5. - De toepasbaarheid m.b.t. de productie van polyolefinen, PVC of synthetische rubbers wordt niet opgenomen. De toepasbaarheid wordt algemeen geregeld via een drempelwaarde aan verbruikte oplosmiddelen. - Het (mogelijk) niet toepasbaar zijn van deze bepaling onder de drempelwaarde van 50 ton verbruikte oplosmiddelen per jaar wordt toegekend en mee verwerkt in titel III van het VLAREM. Een oplosmiddelenboekhouding kan mogelijk ook relevant zijn onder deze drempelwaarde. Dit kan meegenomen worden bij de algemene evaluaties. - De mate van gedetailleerdheid van de oplosmiddelenboekhouding zal in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de installatie, en van de mogelijke milieueffecten ervan, maar de toepassing ervan, alsook tot het type en de hoeveelheid gebruikte oplosmiddelen. Dit kan via een afwijking in de vergunning geregeld worden. 3.19.2.6.4. BBT 22 - De verwijzing naar de EN-normen voor het monitoren van fugitieve en niet-fugitieve bronnen wordt opgenomen in, respectievelijk, afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM en titel III van het VLAREM. Ook voetnoot 8 (aanvullende norm voor fugitieve emissies) is opgenomen in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. - In §1 wordt voor de monitoring van fugitieve emissies doorverwezen naar afdeling 4.4.6 van VLAREM II, daar dit reeds daar is opgenomen. Deze afdeling wordt aangepast om conformiteit met de BBT-conclusies te garanderen. - In §2 wordt de minimale monitoringfrequentie voor niet-fugitieve emissies opgenomen. - Voetnoten 1 en 2 worden opgenomen in titel III van het VLAREM. - Voetnoot 7 wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Mits goedkeuring door de toezichthouder kan de monitoringfrequentie verlaagd worden indien gekwantificeerd wordt met metingen. Gebruik van een IR-camera geldt niet als kwantificatie. - De toepasbaarheid (drempelwaardes) worden mee opgenomen. - Volgende opmerkingen worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM: a) Optische beeldvorming van gas (OGI) is een nuttige techniek in aanvulling op de methode van EN 15446 (“snuffelmetingen”) om bronnen van fugitieve VOS-emissies te identificeren, en is bijzonder relevant in het geval van ontoegankelijke bronnen (zie punt 1.4.2). Deze techniek wordt beschreven in EN 17628. De toepassing van OGI (IR-camera) voor fugitieve emissies is reeds verwerkt in de voorwaarden van afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. b) In het geval van niet-fugitieve emissies kunnen de metingen worden aangevuld met thermodynamische modellen. Deze opmerking is eerder informatief. - In §3 wordt voor de monitoring van diffuse VOS-emissies uit bovengrondse vaste houders verwezen naar subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM. Aan subafdeling 5.17.4.5 worden een aantal wijzigingen aangebracht (zie wijzigingsartikel 16 tot en met 19). Wanneer de toepasbaarheidsdrempels uit BBT 22 overschreden worden, dienen echter alle emissiebronnen die in de inventaris van BBT 2 zijn aangemerkt als relevant gemonitord worden. Dit omvat mogelijk ook opslagtanks die vluchtige organische stoffen bevatten met een dampspanning lager dan het criterium opgenomen in subafdeling 5.17.4.5. Dit wordt opgenomen in het tweede lid. - De opmerking in de BBT-conclusies omtrent kwantificering van VOS-emissies bij grote hoeveelheden VOS via TC, SOF of DIAL wordt voorlopig nog niet opgenomen in het VLAREM. Voor deze BBT-conclusie diende België (Vlaanderen) samen met Zweden en het European Environmental Bureau een split view in, waarin werd gevraagd om naar SOF & DIAL te refereren als beste beschikbare technieken in geval van het gebruik/verbruik van grote hoeveelheden VOS, en dit niet als opmerking op te nemen. De split view werd door het Europese IPPC Bureau aanvaard en kreeg daarom vermelding in het hoofdstuk ‘Concluding remarks and recommendations for future work’ van de BREF. Kwantificering van de totale diffuse emissies op installatie-niveau wordt als heel nuttig ervaren, maar zal in Vlaanderen voorlopig nog niet algemeen worden opgelegd via VLAREM. Bij de algemene evaluaties zal installatie per installatie geoordeeld worden waar deze (of gelijkwaardige) technieken het meest een nuttige aanvulling kunnen zijn. Doorslaggevende argumenten kunnen bijvoorbeeld zijn: Er is (grote) onzekerheid i.v.m. de totale emissies van de installatie; Vooral de non-fugitieve emissies zijn van belang (e.g. opslagtanks, in- en uitladen van grondstoffen of producten via schip, vrachtwagen, trein, WZI, …) zijn. Voor de fugitieve emissies kan er van uitgegaan worden dat die goed op te volgen zijn met LDAR; Er zijn veel of grote hoeveelheden CMR stoffen te verwachten in de emissies. De komende jaren zullen de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en de afdeling GOP deze technieken en de resultaten van dergelijke meetcampagnes nauw opvolgen. Als dat nodig zou blijken, kan alsnog in latere fase een verankering van TC, SOF of DIAL of gelijkwaardige technieken worden voorzien in het VLAREM. Preventie of vermindering van diffuse VOS-emissies 3.19.2.6.5. BBT 23 - “een combinatie van de technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 23 uit de BBT-conclusies verwezen. - Het belang van de juiste prioritering bij de inzet van technieken wordt mee opgenomen. - Het gebruik van technisch dichte apparaten, vermeld als techniek b) in BBT 23 van de BBT-conclusies, wordt verplicht voor nieuwe installaties en belangrijke verbeteringen bij contact met CMR-stoffen of acuut toxische stoffen. Dit wordt opgenomen in §2. In de nota “visie zeer zorgwekkende stoffen” van de Vlaamse overheid wordt het belang van voorkomen en beperken van emissies en verliezen van zeer zorgwekkende stoffen naar het milieu onderstreept. Voor deze stoffen is de inzet van technisch dichte apparaten binnen chemische installaties cruciaal, omdat verwacht wordt dat het lekverlies uit deze apparaten verwaarloosbaar is, mits zij op geschikte wijze worden geselecteerd, geïnstalleerd en onderhouden overeenkomstig het procestype en de bedrijfsomstandigheden van het proces. Voor het geval dat technisch dichte apparaten bij nieuwe installaties of belangrijke verbeteringen toch niet mogelijk zouden blijken, e.g. door operationele beperkingen, wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Ook bij apparatuur met een hoge kans op lekken en bij processen die werken onder hoge druk, zoals 2000 bar of meer, is het gebruik van technische dichte apparatuur sterk aangewezen, zoals ook in BBT 23 (b) staat vermeld. De toepassing van technisch dichte apparaten bij deze laatste 2 punten wordt echter nog niet algemeen verankerd in het VLAREM, maar kan wel dossier per dossier worden meegenomen waar relevant. Gebruik van oplosmiddelen of hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen - De vermelding dat de emissieniveaus voor het gebruik van oplosmiddelen of het hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen (vermeld onder deel 1.1.4.4 van de BBT-conclusies) verband houden met de algemene BBT-conclusies in de punten 1.1 en 1.1.4.3, is louter informatief en wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. 3.19.2.6.6. Tabel 1.7 - De bovengrens van de BBT-GEN wordt opgenomen. - De input aan oplosmiddelen wordt gedefinieerd in het bij dit besluit toegevoegde artikel 3.19.1.2, 9°. - De manier van uitdrukken van deze BBT-GEN voor diffuse VOS-emissies afkomstig van het gebruik van oplosmiddelen of het hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen, zoals gespecifieerd in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies, wordt overgenomen in titel III van het VLAREM. Hierbij wordt er een verwijzing gemaakt naar oplosmiddelenboekhouding, welke overeenkomstig bijlage 5.59.3 bij titel II van het VLAREM moet worden opgesteld. - De bijhorende voetnoot, waarbij een drempelwaarde wordt gespecifieerd vanaf wanneer de BBT-GEN van toepassing wordt, wordt mee opgenomen. - Voor de monitoring wordt in de BBT-conclusies verwezen naar BBT 20, 21 en 22. Deze bepalingen worden elders al opgenomen in titel III van het VLAREM, deze informatie moet niet hernomen worden bij dit artikel. Afdeling 3.19.3. Algemene bepalingen met betrekking tot polymeren en synthetische rubbers - De vermelding dat de BBT-conclusies in dit punt (deze afdeling) van toepassing zijn op de productie van bepaalde polymeren, en dat zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.1, is ter informatie. Dit wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Onderafdeling 3.19.3.1. Productie van polyolefinen 3.19.3.1.1. BBT 25 - De technieken uit BBT 25 worden expliciet opgenomen omdat ze alle drie verwacht worden voor zover toepasbaar. De toepasbaarheid van de verschillende technieken is mogelijk beperkt (bijvoorbeeld door operationele beperkingen, door de specificaties voor de productie van HDPE, LDPE en LLDPE of uit veiligheidsoverwegingen). Deze informatie wordt opgenomen. 3.19.3.1.2. BBT 24 - De monitoring uit BBT 24 wordt opgenomen. - De minimale monitoring (ten minste jaarlijks) wordt opgenomen. - De verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen wordt opgenomen. Dit gaat niet over meting in emissies naar lucht, maar om de concentratie in het product. Dit wordt niet gevat door het nieuw ingevoegde artikel 2.3.2.1 en wordt daarom hier toegevoegd. - De term 'representatieve polyolefinekwaliteit’ wordt verduidelijkt in het tweede lid, zoals opgenomen onder de definities van de BBT-conclusies. - De plaats waar de meetmonsters moeten genomen worden, wordt opgenomen in het derde lid. - De toepasbaarheid (niet voor uitsluitend gesloten systemen) wordt opgenomen in het vierde lid. 3.19.3.1.3. BBT 25 Tabel 1.8 §1 - De emissiegrenswaarden uit BBT 25 worden vervat in paragraaf 1. - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden steeds overgenomen. - Voetnoot 1 van BBT 25 wordt opgenomen. Het geeft belangrijke informatie, met name “de ondergrens van het BBT-GEN-bereik wordt doorgaans geassocieerd met het polymerisatieproces in gasfase”. - Voetnoot 2 vermeldt dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor LDPE hoger kan zijn en maximaal 2,7 g C/kg bedraagt bij de productie van EVA of andere copolymeren (bv. ethylacrylaatcopolymeren). Deze informatie wordt opgenomen. - Voetnoot 3 vermeldt dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor LDPE hoger kan zijn en maximaal 4,7 g C/kg bedraagt indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze informatie wordt opgenomen. - De manier hoe de emissiegrenswaarden uitgedrukt worden voor de totale emissie naar lucht voor de productie van polymeren, zoals gespecifieerd in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies, wordt overgenomen in het tweede lid. §2 Extra duiding over de bijhorende monitoring, ter aftoetsen van de emissiegrenswaarden vermeld in BBT 25, wordt opgenomen. Relevante monitoring wordt beschreven in BBT 8, 20, 22 en 24. §3 De duiding over welke emissies zitten vervat wanneer wordt gesproken van TOC-emissies naar lucht, wordt opgenomen. Onderafdeling 3.19.3.2. Productie van polyvinylchloride (PVC) 3.19.3.2.1. BBT 28 Eerste en tweede lid - “één of een combinatie van de technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 28 uit de BBT-conclusies verwezen. - Zoals vermeld in BBT 28, is de terugwinning mogelijk beperkt wanneer de energievraag buitensporig hoog is als gevolg van de lage concentratie van de betrokken verbinding(en) in het procesafgas (de procesafgassen). Deze informatie wordt opgenomen in het tweede lid. BBT 29 Derde lid - De technieken worden niet opgenomen, aangezien er BBT-GEN gelden. - De bovengrens van de BBT-GEN wordt opgenomen, samen verwerkt met voetnoot 1 (mogelijke massastroom) (niet als voetnoot). - Voetnoot 2 wordt niet opgenomen. In Vlaanderen wordt geen PVC-productie uitgevoerd. Een mogelijke uitzondering van de BBT-GEN voorzien is daarom niet nodig, ook niet voor eventueel nieuwe installaties die in de toekomst deze productie zouden opstarten aangezien bij nieuwe installaties de beste stand ter techniek verwacht wordt. BBT 26 Vierde lid - De minimale monitoringsfrequentie wordt opgenomen. - Verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar lucht, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies, wordt niet opgenomen, dit wordt algemeen geregeld via het nieuw ingevoegde artikel 2.3.2.1. - Voetnoot 1 bij BBT 26 (mogelijke vervanging van de monitoring) wordt niet opgenomen. - Voetnoot 2 bij BBT 26 gaat over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoot 4 van BBT 26, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 5 bij BBT 26, met name dat afbouw van de meetfrequentie mogelijk is bij voldoende stabiele emissies, wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. - Voetnoot 3 bij BBT 26, met name omtrent afbouw van een continue meetfrequentie bij voldoende stabiele emissies, wordt wel opgenomen, als voetnoot in de tabel. In overeenstemming met artikel 4.4.4.1, §2 kan de continue meetverplichting vervangen worden door een maandelijkse meting, mits een andere continue controle toegepast wordt die garandeert dat de emissiegrenswaarden niet overschreden worden. Goedkeuring hiervoor is vereist via de vergunning. 3.19.3.2.2. BBT 30 - De technieken uit BBT 30 worden vervat in dit artikel. De link met totale, jaargemiddelde emissievrachten, of de VCM-concentratie in de PVC-suspensie/latex garandeert namelijk onvoldoende dat alle technieken toegepast worden, wat expliciet vereist wordt door de BBT-conclusies. - De beschrijvingen bij technieken a, c en e zijn essentieel en worden mee opgenomen. 3.19.3.2.3. BBT 30 Tabel 1.11 §1 - De emissiegrenswaarden uit BBT 30, tabel 1.11, worden vervat in paragraaf 1. - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden steeds overgenomen. BBT 27 §2 - De minimale meetfrequentie (ten minste jaarlijks) van de residuele VCM-concentratie in PVC-suspensie/latex wordt opgenomen. - De term ‘representatieve PVC-kwaliteit’ wordt verduidelijkt in het tweede lid, zoals opgenomen onder de definities van de BBT-conclusies. - De plaats waar de meetmonsters moeten genomen worden, wordt opgenomen in het derde lid. Het 3e punt wordt extra toegevoegd, analoog aan een gelijkaardige bepaling bij polyolefinen. 3.19.3.2.4 BBT 30 Tabel 1.10 §1 - De emissiegrenswaarden uit BBT 30, tabel 1.10, worden vervat in paragraaf 1. - De bovengrenzen van de BBT-GEN worden steeds overgenomen. - Voetnoot 1 wordt niet opgenomen. In Vlaanderen wordt geen PVC-productie uitgevoerd. Een mogelijke uitzondering van de BBT-GEN voorzien is daarom niet nodig, ook niet voor eventueel nieuwe installaties die in de toekomst deze productie zouden opstarten aangezien bij nieuwe installaties de beste stand ter techniek verwacht wordt. - De manier hoe de emissiegrenswaarden uitgedrukt worden voor de totale emissie naar lucht voor de productie van PVC, zoals gespecifieerd in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies, wordt overgenomen. §2 Extra duiding over de bijhorende monitoring, ter aftoetsen van de emissiegrenswaarden vermeld in BBT 30, tabel 1.10, worden opgenomen. Relevante monitoring wordt beschreven in BBT 20, 22, 26 en 27. §3 De duiding over welke emissies zitten vervat wanneer wordt gesproken over VCM-emissies naar lucht, wordt opgenomen. Onderafdeling 3.19.3.3. Productie van synthetische rubbers 3.19.3.3.1. BBT 32 - De technieken uit BBT 32 worden vervat in paragraaf 1. De link met totale, jaargemiddelde emissievrachten is namelijk onvoldoende dat de technieken toegepast worden. De beschrijvingen bij technieken a en b zijn essentieel en worden mee opgenomen. - Naar analogie met de gelijkaardige bepalingen voor de productie van polyolefinen en PVC, worden alle technieken opgenomen. 3.19.3.3.2. BBT 31 - De minimale monitoring (ten minste jaarlijks) wordt opgenomen. - De verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen wordt opgenomen. Dit gaat niet over meting in emissies naar lucht, maar om de concentratie in het product. Dit wordt niet gevat door het nieuw ingevoegde artikel 2.3.2.1 en wordt daarom hier toegevoegd. - De term 'representatieve polymeerkwaliteit’ (van de synthetische rubber) wordt verduidelijkt in het tweede lid, zoals opgenomen onder de definities van de BBT-conclusies. - De plaats waar de meetmonsters moeten genomen worden, wordt opgenomen in het derde lid. - De toepasbaarheid (niet voor uitsluitend gesloten systemen) wordt opgenomen in het vierde lid. 3.19.3.3.3. BBT 32 Tabel 1.12 §1 -De bovengrens van het BBT-GEN wordt opgenomen in de eerste paragraaf. - De manier hoe de emissiegrenswaarden uitgedrukt worden voor de totale emissie naar lucht voor de productie van synthetische rubbers, zoals gespecifieerd in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies, wordt overgenomen. §2 Extra duiding over de bijhorende monitoring, ter aftoetsen van de emissiegrenswaarden vermeld in BBT 32, wordt opgenomen. Relevante monitoring wordt beschreven in BBT 8, 20, 22 en 31. §3 De duiding over welke emissies zitten vervat wanneer wordt gesproken van de monitoring van TOC-emissies, wordt opgenomen. Onderafdeling 3.19.3.4. De productie van viscose met CS2 3.19.3.4.1. BBT 34 - Er zijn verschillende mogelijkheden en combinaties van technieken mogelijk. Niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt deels rechtstreeks naar BBT 34 uit de BBT-conclusies verwezen. - De toepasbaarheid is mogelijks beperkt, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.19.2.1.1. 3.19.3.4.2. BBT 35 §1 - De BBT-GEN gelden voor alle processen, de technieken worden niet opgenomen. - De bovengrenzen van de BBT-GEN voor de geleide emissies naar lucht van CS2 en H2S afkomstig van de productie van viscose met behulp van CS2, zoals vermeld in tabel 1.13, worden opgenomen in paragraaf 1. - Voor de productie van celwol, cellofaan en rayon (textiel) blijven de striktere emissiegrenswaarden vermeld in artikel 5.7.14.1, §2 en §3, van titel II van het VLAREM gelden. Daarom wordt verduidelijkt dat 5.7.14.1 van titel II van het VLAREM blijft gelden, naast de bepalingen in artikel 3.19.3.4.2 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 1 van BBT 35 (in verband met toepasbaarheid voor filamentgarens) wordt opgenomen als voetnoot. - Voetnoot 2 van BBT 35 vermeldt dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger kan zijn en maximaal 500 mg CS2/Nm3 bedraagt indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze informatie wordt opgenomen. - Voetnoot 3 van BBT 35 wordt opgenomen. Het geeft belangrijke informatie, met name “De ondergrens van het BBT-GEN-bereik kan worden behaald door middel van thermische oxidatie of techniek d in BBT 34”. - Voetnoot 4 van BBT 35 vermeldt dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger kan zijn en maximaal 30 mg/Nm3 bedraagt wanneer de som van H2S en CS2 (uitgedrukt als totaal S) dicht bij de ondergrens van het BBT-GEN-bereik in tabel 1.14 ligt. Deze informatie wordt opgenomen. §2 -De bovengrenzen van de BBT-GEN uitgedrukt als specifieke emissievrachten voor de H2S- en CS2-emissies naar lucht afkomstig van de productie van textielvezels of omhulsels, zoals vermeld in tabel 1.14, worden opgenomen in paragraaf 2. De bijhorende voetnoot die specifieert dat het enkel betrekking heeft op geleide emissies wordt verwerkt in de tekst (niet als voetnoot). - De manier hoe de emissiegrenswaarden uitgedrukt worden voor de specifieke emissievrachten naar lucht voor de productie van viscose, zoals gespecifieerd in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies, wordt overgenomen in titel III van het VLAREM. 3.19.3.4.3. BBT 33 - De verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar lucht wordt niet opgenomen, dit wordt algemeen geregeld via het nieuw ingevoegde artikel 2.3.2.1. - De minimale meetfrequenties worden opgenomen. - Voetnoot 1, met name dat de monitoring alleen van toepassing is wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de inventarisatie van BBT 2 wordt aangemerkt als relevant in de afgasstroom, wordt opgenomen als voetnoot in de tabel. - Voetnoot 2 gaat over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoot 3 (i.v.m. mogelijke analytische interferentie bij continue metingen) wordt opgenomen. - Voetnoot 4, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van VLAREM III. Afdeling 3.19.4. Procesovens of -verhitters 3.19.4.1. Toepasbaarheid - De toepasbaarheid wordt opgenomen in afdeling 3.19.4. Zoals ook bij het toepassingsgebied van de totale BBT-conclusies werd gespecifieerd (artikel 3.19.1.1. §2, 6°, b)), vallen procesfornuizen/verhitters met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW buiten de scope, tenzij de capaciteiten van verschillende procesfornuizen/verhitters moeten worden opgeteld en zo boven de drempelwaarde uitkomen; - De term “schoorsteen” wordt hier behouden (i.p.v. waar elders de term “emissiepunt” wordt gebruikt), omdat het betrekking heeft op verbrandingsgassen. - De bepalingen in deze afdeling gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.1 (omgezet naar afdeling 3.19.2). Nogmaals een vermelding hiervan is overbodig. 3.19.4.2. BBT 36 - Techniek c van BBT 36, met name de optimalisering van de verbranding, is verplicht en wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Niet alle relevante parameters worden immers afgedekt door een BBT-GEN (CO). - De overige technieken worden niet opgenomen, aangezien één of een combinatie van de technieken mogelijk is en er verder BBT-GEN gelden. 3.19.4.3. BBT 36 Tabel 1.15 Eerste lid -De bovengrens van het BBT-GEN voor stikstofoxiden wordt opgenomen in paragraaf 1. - De indicatieve emissiewaarde voor koolstofmonoxide (CO) van 4-50 mg/Nm³, zoals gespecifieerd in voetnoot 4, wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM, maar kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de individuele evaluaties. - Voetnoot 1 van BBT 36 vermeldt dat bij de productie van complexe anorganische pigmenten de bovengrens van de BBT-GEN-bereik hoger kan zijn en maximaal 400 mg/Nm3 bedragen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze informatie wordt opgenomen . - Voetnoot 2 van BBT 36 wordt niet mee omgezet. Voor deze BBT-conclusie diende België (Vlaanderen) samen met Duitsland, Oostenrijk, Zweden en het European Environmental Bureau een split view in, waarin werd gevraagd om de voetnoot met massastroom te verwijderen. Argumenten waren onder andere dat deze drempelwaarde niet nodig was. Kleine procesovens of -verhitters zijn immers al uitgesloten uit de scope, daarnaast toonde de datacollectie dat ook veel emissiepunten onder de massastroom van 500 g/h aan de emissiegrenswaarde kunnen voldoen, zeker als je de procesovens of -verhitters < 1MW buiten beschouwing liet. Procesovens of -verhitters moeten zo geopereerd worden dat een optimale beschikbaarheid, effectiviteit en efficiëntie gegarandeerd wordt (cfr. BBT 6), emissiereducties overeenkomstig de BBT-GEN kunnen zo gehaald worden. De split view werd niet door het Europese IPPC Bureau aanvaard. - Voetnoot 3 van BBT 36 vermeldt dat de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger kan zijn en maximaal 200 mg/Nm3 bedragen bij directe verhitting. Deze informatie wordt opgenomen. BBT 8 Tweede lid - De minimale meetfrequenties uit BBT 8 voor procesfornuizen of – verhitters worden opgenomen. - Voetnoot 1 van BBT 8, met name dat de monitoring alleen van toepassing is wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de inventarisatie van BBT 2 wordt aangemerkt als relevant in de afgasstroom, wordt niet opgenomen voor procesfornuizen of -verhitters. Niet-relevante bronnen worden immers al uitgesloten via de drempelwaarde van 1 MW bij de bepaling van procesfornuizen of -verhitters binnen de scope van deze BREF. - De te volgen meetmethodes (o.a. voetnoot 2 bij BBT 8) worden verplaatst naar het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.1 van VLAREM III. - Voetnoot 3 van BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt opgenomen in het bij dit besluit toegevoegde artikel 2.3.2.4 van VLAREM III. - Voetnoot 4 bij BBT 8 wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er zijn nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op VLAREM III metingen, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. - Voetnoot 5 van BBT 8 gaat over de EN-normen die van toepassing zijn bij continue metingen. Opname is overbodig aangezien in artikel 4.4.4.2, §4 al voor geautomatiseerde meetsystemen geldt “Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.”. - Voetnoot 6 (i.v.m. procesovens of -verhitters met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn), wordt opgenomen als voetnoot in de tabel. Derde lid In deze afdeling wordt enkel een emissiegrenswaarde opgenomen voor NOX en een meetverplichting voor NOX en CO. De overige mogelijk relevante emissiegrenswaarden en meetverplichtingen zijn opgenomen in afdeling 3.19.2. Er wordt een verwijzing opgenomen ter verduidelijking. Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 100 Dit artikel stelt de datum van inwerkingtreding van de vermelde artikels vast op 12 december 2026, wat overeenkomt met de inwerkingtreding van hoofdstuk 3.19 van titel III van het VLAREM (omzetting BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector”) voor bestaande installaties. Deze wijzigingsartikelen hebben namelijk betrekking op de omzetting van deze BBT-conclusies. Artikel 101 Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.
AI-assistent