← Alle wetgeving
Besluit van de Vlaamse Regering
27 jun. 2025· Belgisch Staatsblad 07 aug. 2025· numac 2025005704

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten

Officiële tekst in de Vlaamse Codex

Artikel Verslag aan de Vlaamse Regering

Algemene toelichting BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten Titel III van het VLAREM (besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties) bevat algemene en sectorale voorwaarden die alleen van toepassing zijn voor GPBV-installaties (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). Met dit wijzigingsbesluit worden aan titel III van het VLAREM de bijkomende sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten. Deze toevoeging komt er naar aanleiding van BBT-conclusies die op 18 december 2023 gepubliceerd werden in het Europees publicatieblad. Deze BBT-conclusies hebben een bindend karakter en vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. De BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten dienen nu geïmplementeerd te worden in titel III van het VLAREM. Overeenkomstig artikel 5.4.6/1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), gebeurt de omzetting van BBT-conclusies in eerste instantie door middel van algemene en sectorale milieuvoorwaarden. Er werd voor geopteerd om zoveel mogelijk van de BBT’s uit de BBT-conclusies in te voegen in titel III van het VLAREM. Volgens de bepalingen van afdeling 1.4.1 van titel II van het VLAREM worden alle milieuvoorwaarden geëvalueerd die van toepassing zijn op de GPBV-installaties die vallen onder het toepassingsgebied van de BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten. Deze evaluaties kunnen leiden tot het bijstellen van de milieuvoorwaarden. De planning en uitvoering van de algemene evaluaties gebeurt volgens een meerjarenprogramma. Raadpleegbaar via https://omgeving.vlaanderen.be/nl/gpbv-installaties. Concrete omzetting van de BBT-conclusies Artikel 5.4.3, §2, van het DABM bepaalt dat we bij de omzetting van BBT-conclusies in titel III van het VLAREM rekening houden met: 1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen; 2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken; 3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten; 4° het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Als de BBT een milieuprestatieniveau voorschrijft, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde of milieuprestatieniveau voor energieverbruik of waterverbruik, dan worden geen technieken opgenomen in titel III van het VLAREM (tenzij er specifieke argumenten zijn om bepaalde technieken toch expliciet te vermelden). De BBT wordt dan via bindende (emissie)grenswaarden geïmplementeerd. Zo leggen we geen technieken op en kan de exploitant vrij kiezen hoe het milieuprestatieniveau wordt behaald. Doelvoorschriften primeren zo op middelvoorschriften. Ten slotte, bepaalt artikel 18 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) dat er extra voorwaarden gesteld moeten worden in de vergunning, als er met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die door toepassing van de best beschikbare technieken haalbaar zijn. Mogelijkheid van een andere beste beschikbare techniek Wanneer de exploitant verplicht wordt om één of meerdere (of een combinatie van) technieken toe te passen wordt er rechtstreeks naar de BBT-conclusies verwezen waar alle technieken staan opgesomd. De verschillende BBT-conclusies kunnen onder andere geraadpleegd worden op de websites van het Europese IPPC Bureau (http://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference/) en het BBT-kenniscentrum (http://emis.vito.be/bbt-conclusies). De exploitant heeft via artikel 1.7 van titel III van het VLAREM wel steeds de mogelijkheid om een andere beste beschikbare techniek toe te passen om het beoogde van de betreffende BBT te kunnen halen. Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42 Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 25 juni 2020 in de zaak C-24/19 de plan-m.e.r.- plicht voor sectorale voorwaarden voor windturbines beoordeeld. Het Hof heeft daarbij de volgende zaken in overweging genomen. Artikel 3 van de plan-m.e.r.-richtlijn 2001/42 stelt de verplichting om een bepaald plan of programma te onderwerpen aan een milieubeoordeling afhankelijk van de voorwaarde dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Meer in het bijzonder moet krachtens artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn een systematische milieubeoordeling worden verricht voor de plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot bepaalde sectoren en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de projecten die worden genoemd in de bijlagen I en II bij de project-m.e.r.-richtlijn. Wat de vraag betreft of deze handelingen het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, zij eraan herinnerd dat het begrip „plannen en programma’s” betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze uitlegging is erop gericht te waarborgen dat voorschriften die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Met dit besluit worden op Europees niveau vastgelegde BBT-conclusies opgenomen in de Vlaamse regelgeving. In overweging 13 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake Industriële Emissies (afgekort RIE) worden de bedoeling en de wijze van vaststelling van BBT-conclusies toegelicht: “Teneinde de „beste beschikbare technieken” te bepalen en ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken, dienen referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken, hierna „BBT-referentiedocumenten” genoemd, te worden opgesteld, geëvalueerd en, waar nodig, bijgewerkt door de uitwisseling van informatie met de belanghebbende partijen, en dienen de belangrijkste bestanddelen van de BBT- referentiedocumenten (hierna „BBT-conclusies” genoemd), via de comitéprocedure te worden vastgesteld. In dit verband dient de Commissie, via de comitéprocedure, richtsnoeren vast te leggen voor het verzamelen van gegevens, het opstellen van BBT- referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan. De BBT-conclusies dienen het ijkpunt te vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. Zij kunnen worden aangevuld met informatie uit andere bronnen. De Commissie moet ernaar streven de BBT-referentiedocumenten uiterlijk acht jaar na de publicatie van de vorige versie te hebben bijgewerkt.”. De BBT-conclusies worden opgesteld én vastgesteld op Europees niveau door de Europese Commissie via de comitéprocedure (artikel 13 RIE). Bij deze procedure worden zowel de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken als niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming betrokken. Voor het bepalen van BBT en BBT-GEN (met BBT-geassocieerde emissieniveaus) worden specifieke (technische) informatie en milieueffecten eigen aan de lidstaten meegenomen in het Sevilla-proces. Door middel van Split views kunnen lidstaten ook in de eindfase van het Sevilla-proces kenbaar maken dat bepaalde informatie en milieueffecten meer aandacht verdienen. De RIE moet vervolgens uitwerking vinden op projectniveau. De lidstaten hebben een verplichting om de nodige maatregelen te treffen opdat de betreffende installaties overeenkomstig deze BBT worden geëxploiteerd (artikel 11, b) RIE). De BBT-conclusies vormen daarbij de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden (artikel 14, lid 3 RIE). Voor bestaande installaties dienen de lidstaten binnen een termijn van vier jaar na de vaststelling van de betreffende BBT-conclusies de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de vergunningsvoorwaarden van de betreffende industriële installaties worden getoetst en desgevallend worden bijgesteld om aan de toepasselijke BBT-conclusie te voldoen (artikel 21 RIE). Het is aldus de bedoeling van de RIE dat op Europees niveau BBT-conclusies opgesteld worden die voor alle betrokken installaties het ijkpunt vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden, waarmee de Europese regelgever ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten wil beperken. Het is niet de bedoeling dat de lidstaten op planniveau voor de installaties op hun grondgebied een ander ijkpunt invoeren. Omzettingsregelgeving kan enkel de bedoeling hebben de Europees vastgestelde BBT- conclusies op te nemen in de regelgeving van de lidstaten. Het invoeren van eigen ijkpunten door de lidstaten zou de beoogde doelstelling van het beperken van ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten ondermijnen. In uitvoering van artikel 5.4.6/1 Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) worden in de Vlaamse regelgeving nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies waar mogelijk en bij voorrang omgezet door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of andere sectorale regelgeving. Het kan daarbij niet de bedoeling zijn om het vaststellingsproces op Europees niveau over te doen in de Vlaamse context. De omzetting betreft geen opstelling en vaststelling van een eigen plan van de Vlaamse Regering maar een omzetting van de Europees vastgestelde BBT-conclusies. Het betreft louter het omzetten van de Europese verplichtingen in het interne recht teneinde deze in de Vlaamse situatie rechtstreeks te kunnen toepassen in een concreet geval. De omzetting van de BBT-conclusies in intern recht en de opname van de bovengrens van BBT-GEN’s in een algemeen bindend voorschrift zoals titel II of III van het Vlarem getuigt dus niet van het “opstellen” of “vaststellen” van een plan of programma in de zin van artikel 2, a), eerste streepje van de plan-m.e.r.-richtlijn. In de omgevingsvergunning kan overeenkomstig artikel 1.3 titel III van het VLAREM steeds afgeweken worden van die emissiegrenswaarde zolang de emissiegrenswaarde voldoet aan de BBT-GEN bepaald in de BBT-conclusies die de Europese Commissie heeft aangenomen. Het is dus met de vaststelling van de Europese BBT-conclusies dat het toetsingskader voor de vergunningen wordt bepaald. Dit besluit waarmee de Europees vastgestelde BBT-conclusies worden opgenomen in de Vlaamse regelgeving is aldus geen plan of programma in de zin van de plan-m.e.r.-richtlijn waardoor voor de vaststelling van dit besluit geen plan-MER of plan-m.e.r.-screening vereist is. De bepalingen van de Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42, omgezet in internrechtelijke regelgeving via titel IV van het DABM (meer specifiek artikel 4.1.1 en de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.11), zijn bijgevolg niet van toepassing op dit besluit. Opbouw van het nieuwe hoofdstuk 3.21. Slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten De titel III van het VLAREM volgt grotendeels de opbouw van de BBT-conclusies. Dit resulteert in volgende structuur: Hoofdstuk 3.21. Slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten Afdeling 3.21.1. Toepassingsgebied en definities Afdeling 3.21.2. Algemene bepalingen Onderafdeling 3.21.2.1. Toepasbaarheid Onderafdeling 3.21.2.2. Totale milieuprestatie Onderafdeling 3.21.2.3. Monitoring Onderafdeling 3.21.2.4. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.21.2.5. Waterverbruik en de productie van afvalwater Onderafdeling 3.21.2.6. Schadelijke stoffen Onderafdeling 3.21.2.7. Efficiënt gebruik van hulpbronnen Onderafdeling 3.21.2.8. Emissies naar water Onderafdeling 3.21.2.9. Emissies naar lucht Onderafdeling 3.21.2.10. Geluid en geur Onderafdeling 3.21.2.11. Gebruik van koelmiddelen Afdeling 3.21.3. Slachthuizen Onderafdeling 3.21.3.1. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.21.3.2. Afvalwater Onderafdeling 3.21.3.3. Gebruik van koelmiddelen Afdeling 3.21.4. Verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten Onderafdeling 3.21.4.1. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.21.4.2. Afvalwater Onderafdeling 3.21.4.3. Emissies naar lucht Artikelsgewijze bespreking Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2749 van de Commissie van 11 december 2023 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten. Hoofdstuk 2. Wijzigingen van titel III van het VLAREM Artikel 2 Dit artikel voegt een hoofdstuk toe aan deel 3 “Sectorale Milieuvoorwaarden” van titel III van het VLAREM, namelijk Hoofdstuk 3.21. Slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten. De volgende BBT-conclusies worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Tijdens de algemene evaluaties zal worden geëvalueerd of deze BBT-conclusies van toepassing zijn op de installatie. Indien nodig worden de milieuvoorwaarden bijgesteld om een volledige omzetting van de BBT-conclusies te bekomen. BBT 16. De BBT om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen door het opzetten van een geluidsbeheersplan. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geluidshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of is aangetoond. Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld. BBT 1, onder de specifieke elementen voor slachthuizen en de verwerking van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten: punt xxvi. Hier wordt verwezen naar het geluidsbeheersplan van BBT 16, welke niet wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Gezien het voorgaande wordt dit punt van het milieubeheersysteem met betrekking tot het geluidsbeheersplan dus ook niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Hoofdstuk 3.21 bestaat uit volgende elementen: Titel III van het VLAREM BBT-conclusies Toelichting Afdeling 3.21.1. Toepassingsgebied en definities 3.21.1.1. Toepassings- gebied - De activiteiten waarop de BBT-conclusies al dan niet betrekking hebben worden opgenomen. Zowel de rubrieken van de indelingslijst worden vermeld, als de overeenkomstige GPBV-activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 1 bij titel III van het VLAREM. In deze bijlage worden de GPBV-activiteiten van bijlage I bij de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) letterlijk opgenomen. Deze bijlage heeft betrekking op het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 van deze richtlijn. Gezien het belang van dit toepassingsgebied werd ervoor geopteerd om deze integraal over te nemen als bijlage 1 bij titel III van het VLAREM met het oog op eenvoud en transparantie van de omzetting van het toepassingsgebied van de BBT-conclusies. - De rubriek 45.1, d), van de indelingslijst bevat een drempel van 50 ton per dag “geslachte dieren”. Voor het begrip van dit toepassingsgebied, gaat het hier om het karkasgewicht. - De indelingslijst, vermeld in dit artikel, wordt gedefinieerd in het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM), met name als de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden. In het omgevingsvergunningsbesluit wordt verder gedefinieerd dat de indelingslijst de lijst is, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM. - Met de term ‘belangrijke vuilvracht’ wordt een relevante vuilvracht bedoeld. Wanneer bij inrichting, zoals bedoeld in artikel 3.21.1.1, § 1, 3°, en § 2, 9° stromen worden verwerkt afkomstig van een andere activiteit die niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, moet het aandeel van de belasting die afkomstig is van de activiteiten die wél onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, in rekenschap gebracht voor het aftoetsen van de milieuprestaties én voldoen aan de bepalingen. - In §2 van dit artikel, wordt verder gespecifieerd welke activiteiten ook omvat worden door het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, waaronder onder meer: * zoals vermeld in §2, 1°, vallen installaties vergund onder rubriek 45.16.1 van de indelingslijst enkel onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk wanneer zij één of meerdere van volgende activiteiten uitvoeren: de vervaardiging van gelatine of de verwerking van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten (zoals rendering, vetsmelten, verwerking van veren, vismeel- en visolieproductie, bloedverwerking); * de verbranding van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen (afkomstig van activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen). Dergelijke verbranding gebeurt vb. in thermische oxidatoren of stoomketels. - In §3 van dit artikel, worden de activiteiten vermeld die niet onder het hoofdstuk 3.21 vallen: * stookinstallaties ter plaatse die niet onder de bovenstaande punten vallen en die hete gassen opwekken die niet worden gebruikt voor het via direct contact verwarmen, drogen of anderszins behandelen van voorwerpen of materialen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor grote verbrandingsinstallaties (LCP), omgezet in hoofdstuk 3.12 van titel III van het VLAREM, of onder Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad; * de productie van levensmiddelen na het opdelen van karkassen van slachtdieren in standaard deelstukken en het versnijden van pluimvee. Dit kan worden behandeld in de BBT-conclusies voor de voedingsmiddelen-, drank- en melkindustrie (FDM), omgezet in hoofdstuk 3.15 van titel III van het VLAREM; * het storten van afval. Deze activiteit wordt behandeld in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad. Met name de ondergrondse permanente en langdurige opslag (≥ 1 jaar voor verwijdering, ≥ 3 jaar voor terugwinning) vallen onder Richtlijn 1999/31/EG. - Deze BBT-conclusies gelden onverminderd andere relevante wetgeving, bijvoorbeeld inzake hygiëne, voedsel- en voederveiligheid, dierenwelzijn, bioveiligheid, energie-efficiëntie (“energie-efficiëntie eerst”-beginsel). 3.21.1.2. Afkortingen en definities Enkel definities die niet gelijk zijn aan definities reeds opgenomen in het VLAREM én welke nodig zijn om de sectorale voorwaarden te kunnen begrijpen worden opgenomen. Enkele verduidelijkingen: * De definitie voor dierlijke bijproducten wordt niet opgenomen, deze is reeds gedefinieerd in titel II van het VLAREM onder “Definities dierlijke bijproducten (hoofdstuk 5.2, afdeling 5.2.1 en hoofdstuk 5.43)”; * De definitie voor geurconcentratie in de BBT-conclusies luidt als volgt: aantal Europese geureenheden (ouE — European Odour Units) in een kubieke meter gas onder standaardomstandigheden voor olfactometrie overeenkomstig EN 13725. Afdeling 3.21.2. Algemene bepalingen Onderafdeling 3.21.2.1. Toepasbaarheid 3.21.2.1.1. Toepasbaarheid BBT 10, b BBT 13 BBT 14 BBT 15 BBT 21 BBT 22 BBT 24 BBT 25 De toepasbaarheid van de technieken en emissiegrenswaarden vermeld in punt b van BBT 10, BBT 13, BBT 14, BBT 15, BBT 21, BBT 22, BBT 24 en BBT 25 van de BBT-conclusies (omgezet in artikel 3.21.2.5.2, eerste lid, 2°, artikel 3.21.2.8.1, artikel 3.21.2.8.2, artikel 3.21.2.9.4, artikel 3.21.3.1.2, artikel 3.21.3.2.1, artikel 3.21.4.1.1, artikel 3.21.4.2.1 en artikel 3.21.4.3.2) is mogelijk beperkt. Gezien de voorwaardelijke formulering in de BBT-conclusies, is een beoordeling nodig. Door dit te verankeren in de omgevingsvergunning kan deze beoordeling gebeuren via de evaluatie- of vergunningsprocedures. Dit biedt de bedrijven rechtszekerheid. Via dit artikel wordt dus de mogelijkheid gegeven om in de vergunning een afwijking toe te staan op deze technieken. 3.21.2.1.2. Dit artikel wordt, conform andere omzettingen van BBT-conclusies, opgenomen om onduidelijkheid te vermijden tussen meer algemeen geldende en meer specifieke bepalingen in de BBT-conclusies. Beiden zijn van toepassing. Onderafdeling 3.21.2.2. Totale milieuprestatie 3.21.2.2.1. BBT 1 - De elementen van het milieubeheersysteem die steeds van toepassing zijn, worden opgenomen. Dat het milieubeheersysteem naast de punten 1° tot en met 20° in sommige gevallen nog bijkomend een geluidsbeheersplan moet bevatten, wordt niet opgenomen in het VLAREM. De overeenkomstige BBT 16, die het geluidbeheersplan verder concretiseert, wordt namelijk ook niet omgezet in titel III van het VLAREM wegens beperkte toepasbaarheid. De noodzaak voor het opleggen van BBT 16/dit onderdeel van het milieubeheersysteem wordt wel bekeken in de algemene evaluaties. Waar dit nodig blijkt, kan de verplichting tot het opstellen van een geluidsbeheersplan als onderdeel van het milieubeheersysteem worden aangevuld als bijzondere voorwaarde. - Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS) vastgesteld, een voorbeeld van een milieubeheersysteem dat in overeenstemming is met deze BBT. Er is geen verplichting tot een gecertificeerd milieuzorgsysteem, dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT- conclusies, met name dat het toepassingsgebied (bv. de mate van gedetailleerdheid) en de aard (bv. gestandaardiseerd of niet- gestandaardiseerd) van het milieubeheersysteem over het algemeen te maken heeft met de aard, omvang en complexiteit van de installatie en de milieueffecten ervan. - De toepasbaarheid wordt opgenomen in het derde lid. 3.21.2.2.2. BBT 2 - Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in het eerste lid. Het overzicht van de inputs en outputs wordt bijgehouden en regelmatig herzien (ook wanneer er zich een belangrijke wijziging voordoet). Niet alle voorbeelden worden overgenomen. De BBT-conclusies geven bijvoorbeeld nog mee (onder IV, b)) dat mogelijke relevante stoffen of parameters voor emissies naar afvalwater bijvoorbeeld CZV of TOC, stikstofverbindingen en fosfor zijn. Verder geven de BBT-conclusies nog mee (onder V, c)) dat relevante stoffen of parameters in de afgasstromen bijvoorbeeld stof, TVOC, NOX en SOX zijn. Onder punt V, d), geven de BBT-conclusies mee dat andere aanwezige stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie bijvoorbeeld zuurstof, waterdamp of stof zijn.Onder punt 4° (m.b.t. afvalwaterstromen) wordt informatie over de emissiepunten toegevoegd, naar analogie met punt 5° (m.b.t. afgasstromen). - Opname van de toepasbaarheid is niet nodig. Het overzicht is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan. Dit overzicht maakt bovendien deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.21.2.3.1, waarbij deze toepasbaarheid al werd vermeld. - Er wordt in het tweede lid gespecifieerd dat het overzicht ter beschikking wordt gesteld aan de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), indien zij daarom vragen. 3.21.2.2.3 BBT 3 - Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in het eerste lid. - Het beheersysteem voor chemische stoffen is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. - In het tweede lid wordt de definitie voor zeer zorgwekkende stoffen uit de BBT-conclusies overgenomen. - Er wordt in het derde lid gespecifieerd dat het overzicht ter beschikking wordt gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), indien zij daarom vragen. 3.21.2.2.4. BBT 4 - Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in titel III van het VLAREM. - Zoals ook vermeld in de Richtlijn Industriële Emissies, beperken potentiële andere dan normale bedrijfsomstandigheden zich niet tot storingen van kritische apparatuur, maar ook opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging. De voornaamste worden aangevuld in dit artikel in VLAREM. Daarnaast beperkt een passend ontwerp van kritische apparatuur (punt 2°) zich niet tot afvalwaterzuiveringsinstallaties, maar zijn uiteraard ook de luchtzuiveringsinstallaties cruciaal, en wordt dit aangevuld als voorbeeld. - Het beheersplan voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. Dit beheersplan maakt bovendien deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.21.2.3.1, waarbij deze toepasbaarheid al werd vermeld. Onderafdeling 3.21.2.3. Monitoring 3.21.2.3.1. BBT 5 De BBT-conclusie omtrent monitoring van procesparameters wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. De BBT-conclusies geven als voorbeeld voor de monitoring van de belangrijkste procesparameters een continue monitoring van debiet, pH en temperatuur van het afvalwater. Ter info, in titel III van het VLAREM wordt verwezen naar artikel 4.2.5.2.1 en 4.2.5.3.1 van titel II van het VLAREM, waarin dit geregeld wordt voor procesparameters aan het lozingspunt. Wanneer bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM van toepassing is, moeten deze parameters nu al continu worden gemeten. De BBT-conclusies geven als voorbeeld voor cruciale locaties, maar deze voorbeelden worden niet mee overgenomen in het VLAREM: 1. aan de inlaat en/of uitlaat van de voorbehandeling van het afvalwater; 2. aan de inlaat van de eindbehandeling van het afvalwater; 3. op het punt waar de emissie de installatie verlaat. 3.21.2.3.2. BBT 6 De BBT-conclusie, inclusief de beschrijving, wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. De BBT-conclusies geven mee dat berekeningen of registratie bijvoorbeeld kunnen met behulp van geschikte meters of facturen. De verplichtingen in artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM voor koelinstallaties, blijven behouden. - BBT 7 - Verwijzing CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar water worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM. - De meetfrequenties worden opgenomen in titel III van het VLAREM bij de implementatie van de emissiegrenswaarden waarmee ze geassocieerd zijn (zie verder in deze tabel). - BBT 8 - Verwijzing CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar lucht worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM. - De meetfrequenties worden opgenomen in titel III van het VLAREM bij de implementatie van de emissiegrenswaarden waarmee ze geassocieerd zijn (zie verder in deze tabel). Onderafdeling 3.21.2.4. Energie-efficiëntie 3.21.2.4.1. Algemene overwegingen - De formule en bijhorende duiding voor de berekening van de milieuprestatieniveaus (grenswaarden) voor specifieke netto- energieverbruik wordt opgenomen in het eerste lid. De BBT-conclusies geven nog ter informatie mee dat (tenzij anders vermeld in de BBT- conclusies) bij de berekening van het energieverbruik van slachthuizen rekening mag worden gehouden met de energie die verbruikt wordt door de voedingsmiddelenindustrie (cfr. als vermeld in artikel 3.15.1.1 van titel III van het VLAREM). - In het tweede lid wordt verduidelijkt hoe het karkasgewicht wordt berekend voor varkens en runderen. De definiëring voor kippen wordt niet overgenomen uit de BBT-conclusies. Bij kippen blijkt er onduidelijkheid of ingewanden al dan niet dan niet meegeteld moeten worden bij het karkasgewicht, of welke zouden beschouwd worden als de eetbare ingewanden. Voor het slachten van kippen zullen de milieuprestaties (waterverbruik, energieverbruik) bijgevolg enkel worden uitgedrukt in het aantal geslachte dieren. Dit om de uniformiteit en rechtszekerheid te garanderen. 3.21.2.4.2. BBT 9 - Beide technieken moeten worden toegepast, dus ze worden, inclusief beschrijving, opgenomen in het eerste lid. - Het energie-efficiëntieplan en de bijhorende energieaudits (techniek a)) zijn algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. - Bij techniek b), energiebesparende technieken, geven de BBT- conclusies nog mee dat dit technieken zijn zoals: a) de warmteterugwinning met warmtewisselaars of warmtepompen; b) energie-efficiënte motoren; c) frequentieomzetters op motoren; d) systemen voor procesbeheersing; e) de gecombineerde opwekking van warmte en energie; f) de isolatie van leidingen, vaten en andere uitrusting; g) de regulering en controle van de verbranding; h) de voorverwarming van voedingswater; i) de minimalisering van het afblazen van ketels; j) de optimalisering van stoomdistributiesystemen; k) de vermindering van lekken in persluchtsystemen; l) verlichtingsbeheersystemen; m) energie-efficiënte verlichting; n) de optimalisering van het ontwerp en de werking van koelsystemen. Verder geven de BBT-conclusies mee dat het ontbreken van een passende warmtevraag en/of de lay-out van de installatie/ruimtegebrek de toepasbaarheid van warmtekrachtkoppeling op bestaande installaties kan beperken. Ten slotte geven de BBT-conclusies nog mee dat een voorbeeld van gecombineerde opwekking van warmte en energie warmtekrachtkoppeling is, en dat voorverwarming van voedingswater bijvoorbeeld kan door gebruik van economisers. - Artikel 3.21.2.4.2 bevat geen verplichting tot een gecertificeerd plan of externe jaarlijkse audit, dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT-conclusie, met name dat de mate van gedetailleerdheid van het energie-efficiëntieplan en de bijhorende audits in de regel zal afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie. In de BREF wordt de doelstelling van de audits als volgt verwoord: “Audits are carried out at least once every year to ensure that the objectives of the energy efficiency plan are met and the energy audits’ recommendations are followed up and implemented.”. - Er bestaan reeds verschillende instrumenten rond energie-efficiëntie in hoofdstuk V van Titel VI van het Energiebesluit, zoals een energieplan opstellen voor energie-intensieve inrichtingen (artikelen 6.5.1 tot en met 6.5.8. van het energiebesluit), of de verplichte energieaudit voor niet energie-intensieve ondernemingen (artikelen 6.5.9. tot en met 6.5.15 van het energiebesluit) of de energiebalans onderneming (artikelen 6.5.16 tot en met 6.5.22 van het energiebesluit). Relevante gegevens kunnen mogelijks aangewend worden voor (delen van) het energie-efficiëntieplan zoals bepaald in titel III van het VLAREM, zodat slechts één plan moet worden opgesteld. - Er wordt in het tweede lid gespecifieerd dat een energie- efficiëntieplan en de energie-audits ter beschikking worden gesteld voor de toezichthouder en het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (VEKA), indien zij daarom vragen. Onderafdeling 3.21.2.5. Waterverbruik en de productie van afvalwater 3.21.2.5.1. Algemene overwegingen - De formule en bijhorende duiding voor de berekening van de milieuprestatieniveaus (grenswaarden) voor specifieke lozing van afvalwater wordt opgenomen in het eerste lid. - In het tweede lid wordt verduidelijkt hoe het karkasgewicht wordt berekend voor varkens, runderen en kippen. 3.21.2.5.2. BBT 10 - Enkel technieken a) en b) van BBT 10 zijn verplicht, dus enkel deze worden lettelrijk opgenomen in het eerste lid. Er wordt verwezen naar de andere technieken van BBT 10, waarvan nog een geschikte combinatie moet worden toegepast. - Het waterbeheersplan en wateraudits (techniek a)) zijn algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de formalisering ervan zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. - De toepasbaarheid van techniek b) is mogelijks beperkt, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunningmogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. De toepasbaarheid luidt als volgt: “De indeling van het waterwinningsysteem en het gebrek aan ruimte voor tanks voor tijdelijke opslag kan de toepasbaarheid op bestaande installaties beperken”. - Artikel 3.21.2.5.2 bevat geen verplichting tot een gecertificeerd plan of externe jaarlijkse audit, dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT-conclusie, met name dat de mate van gedetailleerdheid en de aard van het waterbeheersplan en van de wateraudits in het algemeen gerelateerd zijn aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. In de BREF wordt de doelstelling van de audits als volgt verwoord: “Water audits are carried out at least annually to increase the reliability of controls and to ensure that the objectives of the water management plan are met. An audit checklist is generally used, which allows the targeting and prioritisation of the areas where the organisation can optimise water usage.”. - In het eerste lid, punt 2°, wordt het begrip “niet-verontreinigde waterstromen” gebruikt. In de overeenkomstige BBT 10 wordt gebruik gemaakt van het begrip “waterstromen die geen behandeling nodig hebben”. Beide begrippen betekenen inhoudelijk hetzelfde. - Er wordt in het tweede lid gespecifieerd dat een waterbeheersplan en de wateraudits ter beschikking worden gesteld voor de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), indien zij daarom vragen. Onderafdeling 3.21.2.6. Schadelijke stoffen 3.21.2.6.1. BBT 11 - “een combinatie van de technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 11 uit de BBT-conclusies verwezen. Onderafdeling 3.21.2.7. Efficiënt gebruik van hulpbronnen 3.21.2.7.1. BBT 12 - Enkel technieken a) en b) van BBT 12 zijn verplicht, dus enkel deze worden letterlijk opgenomen in titel III van het VLAREM. Er wordt verwezen naar de andere technieken van BBT 12, waarvan indien passend nog één of beide technieken moeten worden toegepast. - Bij techniek a) geven de BBT-conclusies nog mee dat grondstoffen voor menselijke consumptie (bv. vet, bloed), voedermiddelen of voeder voor gezelschapsdieren mogelijk gekoeld bewaard moeten worden. - Bij techniek b) geven de BBT-conclusies nog mee dat residuen worden gescheiden, bijvoorbeeld door middel van nauwkeurig geplaatste spatschermen, flappen, vangkorven, lekbakken en kuipen, met het oogop recycling en terugwinning. Onderafdeling 3.21.2.8. Emissies naar water - Algemene overwegingen – BBT-GEN’s voor emissies naar water De bepalingen m.b.t. BBT-GEN’s voor emissies naar water uit de BBT- conclusies, zoals de manier van uitmiddeling, wordt niet opgenomen in hoofdstuk 3.21 van titel III van het VLAREM vermits deze algemeen bepaald worden in titel II van het VLAREM en ook voor titel III van het VLAREM van toepassing blijven. Er wordt niet toegelaten om tijdsproportioneel te werken voor bemonsteringen, aangezien dit beperkingen inhoudt naar controle door de toezichthouder. 3.21.2.8.1. BBT 13 - De BBT-conclusie wordt overgenomen in titel III van het VLAREM, inclusief een deel van de beschrijving. De BBT-conclusies geven in de beschrijving nog bijkomend mee dat een buffertank doorgaans is ontworpen om de hoeveelheden afvalwater op te slaan die tijdens meerdere piekuren worden geproduceerd. Dit laatste is eerder informatief en wordt niet mee opgenomen. - De toepasbaarheid is mogelijks beperkt voor bestaande installaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. De toepasbaarheid luidt als volgt: “Voor bestaande installaties is de techniek mogelijk niet toepasbaar door een gebrek aan ruimte en/of door de indeling van het systeem voor de inzameling van afvalwater.”. 3.21.2.8.2. algemene overwegingen BBT 14 tabel 1.1 tabel 1.2 - De BBT-GEN gelden voor alle processen, de technieken worden niet opgenomen. - De emissiegrenswaarden voor directe (in oppervlaktewater) en indirecte (in riolering) lozing worden opgenomen in één tabel in titel III van het VLAREM. Er wordt uitgegaan van de bovengrens van de BBT- GENs, tenzij er strengere geldende emissiegrenswaarden zijn in titel II van het VLAREM of bijzondere voorwaarden en dit dus haalbaar is voor de sector. In die gevallen worden de reeds geldende strengere waarden overgenomen in titel III van het VLAREM. Dit is het geval voor totaal stikstof. - Voor totaal stikstof wordt in titel III van het VLAREM 15 mg/l opgelegd. Dit voorstel ligt binnen, maar niet bovenaan, de range van de BBT-conclusies, namelijk 2 – 25 mg/l. Dit betekent voor: Verwerkers van dierlijke bijproducten (cfr. rendering) of eetbare nevenproducten (cfr. gelatine): de voetnoot (10) van tabel 1.1 uit de BBT-conclusies wordt mee opgenomen als voetnoot in de tabel. Deze voetnoot laat voor deze subsectoren om tot maximaal 40 mg/l te gaan onder voorwaarden. Slachthuizen: sectorale voorwaarden in titel II van het VLAREM leggen nu reeds 15 mg/l op, met een maximum af te wijken tot 40 mg/l. De mogelijke afwijking tot 40 mg/l wordt niet meer toegelaten door de BBT-conclusies voor slachthuizen. Slachthuizen die niet aan 15 mg/l zouden kunnen voldoen, kunnen op basis van artikel 1.3 van titel III van het VLAREM een gemotiveerde afwijking via de vergunning aanvragen tot aan de bovengrens van de BBT-conclusies (= 25 mg/l). - Voor koper wordt in titel III van het VLAREM 0,05 mg/l opgelegd. Dit voorstel ligt binnen, maar niet bovenaan, de range van de BBT- conclusies, namelijk 0,01 – 0,2 mg/l. Het voorstel voor VLAREM komt overeen met het huidige indelingscriterium (IC) voor koper, namelijk 50 µg/l of 0,05 mg/l. 0,05 mg/l blijkt haalbaar volgens de ontvangen data (deelnemende bedrijven BREF vragenlijsten). - Voor zink wordt in titel III van het VLAREM 0,2 mg/l opgelegd. Dit voorstel ligt binnen, maar niet bovenaan, de range van de BBT- conclusies, namelijk 0,05 – 0,5 mg/l. Het voorstel voor VLAREM komt overeen met het huidige indelingscriterium (IC) voor zink, namelijk 200 µg/l of 0,2 mg/l. 0,2 mg/l blijkt haalbaar volgens de ontvangen data (deelnemende bedrijven BREF vragenlijsten). Dit betekent voor slachthuizen die niet aan de emissiegrenswaarden voor koper en zink in dit artikel zouden kunnen voldoen, dat zij op basis van artikel 1.3 van titel III van het VLAREM een gemotiveerde afwijking via de vergunning moeten aanvragen, wat maximaal tot aan de bovengrens van de BBT-conclusies kan toegestaan worden op basis van deze afwijking (= 0,2 mg/l voor koper of 0,5 mg/l voor zink). - Betreffende de voetnoten van tabel 1.1 (directe lozing) en tabel 1.2 (indirecte lozing): Voetnoot 1 van tabel 1.1 en tabel 1.2 wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM, want geen bijkomende, nieuwe informatie. Voetnoot 2 van de tabel 1.1 wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM, met name de indicatieve emissiewaarde voor biochemisch zuurstofverbruik (BZV) van ≤ 20 mg/l, maar kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de algemene evaluaties. Voetnoot 3 van de tabel 1.1, m.b.t. CZV en TOC als alternatief, wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel om de keuze te laten tussen parameter CZV of TOC. Voetnoten 4 en 6 van de tabel 1.1, m.b.t. een mogelijke afwijking van de emissiegrenswaarde voor CZV of TOC, wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel. Voetnoot 5 van de tabel 1.1, m.b.t. lozingen van zeewater afkomstig van de productie van vismeel en visolie, wordt niet opgenomen. In Vlaanderen wordt geen productie van vismeel en visolie uitgevoerd. Een mogelijke uitzondering van de BBT-GEN voorzien is daarom niet nodig, ook niet voor eventueel nieuwe installaties die in de toekomst deze productie zouden opstarten aangezien bij nieuwe installaties de beste stand ter techniek verwacht wordt. Voetnoot 7 van de tabel 1.1 wordt niet opgenomen. Het geeft belangrijke informatie, met name dat de ondergrens van het BBT-GEN-bereik gewoonlijk wordt bereikt bij gebruik van filtratie (bv. zandfiltratie, microfiltratie, ultrafiltratie), welke bij de algemene evaluaties kan meegenomen worden. Voetnoten 8 en 9 van de tabel 1.1 duiden dat de toepasbaarheid van de emissiegrenswaarde mogelijks beperkt is, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. Voetnoot 10 van de tabel 1.1, m.b.t. een mogelijke afwijking van de emissiegrenswaarde voor totaal stikstof, wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel (zie ook bespreking hierboven). Voetnoot 11 van de tabel 1.1 en voetnoot 3 van tabel 1.2, welke de link leggen met het overzicht van de inputs & outputs (cfr. afvalwaterstromen), worden opgenomen als voetnoot bij de tabel. Voetnoot 12 van de tabel 1.1 en voetnoot 4 van tabel 1.2, welke stellen dat bepaalde emissiegrenswaarden enkel van toepassing zijn voor slachthuizen, worden opgenomen door verwerking in de tabel (cfr. als kolom met activiteit). In titel III van het VLAREM wordt voor rendering, smelten van vetten, verwerking van veren, productie van vismeel en visolie, bloedverwerking en vervaardiging van gelatine, dus geen emissiegrenswaarde in titel III van het VLAREM gespecifieerd voor koper en zink. De voorwaarden uit titel II van het VLAREM blijven uiteraard wel gelden. Voetnoot 2 van tabel 1.2, m.b.t. stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallaties, wordt niet omgezet in VLAREM. In Vlaanderen zijn de afvalwaterzuiveringsinstallaties niet voldoende ontworpen noch passend uitgerust om dergelijke parameters (AOX, koper en zink) voldoende te zuiveren. - In het tweede lid wordt de berekening van het gemiddelde verwijderingsrendement uitgelegd, gezien dit het enige artikel is waarbij dit relevant is. Deze staat in de algemene overwegingen van de BBT-conclusies. 3.21.2.8.3. BBT 7 - De meetfrequenties voor directe (in oppervlaktewater) en indirecte (in riolering) lozing worden opgenomen in het eerste lid. De meetfrequenties worden toegevoegd aan de onderafdeling voor emissies naar water, waar ook de emissiegrenswaarden worden opgenomen (vorige artikel). Deze meetfrequenties zijn de minimale frequenties volgens de BBT-conclusies, tenzij titel II van het VLAREM reeds strenger is. In dat geval wordt de strengere meetfrequentie (bv. bij hoge debieten) behouden en overgenomen in titel III van het VLAREM voor de duidelijkheid. Betreffende de voetnoten bij BBT 7: Voetnoot 1, m.b.t. batchlozingen (discontinue lozingen) wordt opgenomen als tweede lid. Voetnoot 2, m.b.t. stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallaties, wordt niet omgezet in VLAREM. In Vlaanderen zijn de afvalwaterzuiveringsinstallaties niet voldoende ontworpen noch passend uitgerust om dergelijke parameters (AOX, koper en zink) voldoende te zuiveren. Voetnoot 3, welke de link legt met het overzicht van de inputs & outputs (cfr. afvalwaterstromen), wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel. Voetnoten 4 en 7, met name dat afbouw van de meetfrequentie mogelijk is bij voldoende stabiele emissies, wordt hier niet opgenomen. Via een ander regelgevend traject zijn er nieuwe (algemene) afbouwschema’s voor de meetfrequenties in opmaak die dit algemeen gaan regelen (‘beoordelingskader stabiele emissies’). Dit kan dan ook toegepast worden op metingen uit titel III van het VLAREM, en hoeft bijgevolg niet hier worden ingeschreven. Voetnoot 5, welke stelt dat bepaalde meetfrequenties enkel van toepassing zijn voor directe lozing (i.e. lozing in oppervlaktewater), wordt opgenomen door verwerking in de tabel (cfr. als afzonderlijke kolom voor lozing in oppervlaktewater vs. lozing in riolering). In titel III van het VLAREM wordt voor bepaalde monitoring bij lozing in riolering dus geen meetfrequentie gespecifieerd. De voorwaarden uit titel II van het VLAREM blijven uiteraard wel gelden, hiernaar wordt doorverwezen vanuit het derde lid. Voetnoot 6, m.b.t. CZV en TOC als alternatief, wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel om de keuze te laten tussen parameter CZV of TOC. Onderafdeling 3.21.2.9. Emissies naar lucht 3.21.2.9.1. Algemene overwegingen - lucht - Emissiegrenswaarden voor emissies naar de lucht, vermeld in dit hoofdstuk, gelden zonder correctie voor het zuurstofgehalte. Artikel 4.4.3.3, §1, van titel II van het VLAREM blijft gelden: “Emissiegrenswaarden in de vorm van concentraties worden uitgedrukt in mg/Nm³ en hebben betrekking op geleide emissies in de volgende omstandigheden: temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, droog gas. De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiewaarden buiten beschouwing.”. - De referentieomstandigheden voor de bepaling van de geurconcentratie (i.e. nat gas, 293 K, 101,3 kPa) worden vastgelegd in onderafdeling 3.21.4.3. - De bepalingen en definitie voor periodieke metingen m.b.t. BBT- GEN’s en indicatie emissieniveaus voor geleide emissies naar lucht uit de BBT-conclusies wordt niet opgenomen in hoofdstuk 3.21 van titel III van het VLAREM vermits deze algemeen bepaald worden in hoofdstuk 2.3 van voormelde besluit. 3.21.2.9.2. Algemene overwegingen - lucht De bepaling met betrekking tot gecombineerde afvoer via de schoorsteen (emissiepunt) wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Een voorbeeld van type gecombineerde bronnen zijn drogers. 3.21.2.9.3. BBT 15 - Techniek a van BBT 15, met name de optimalisering van thermische oxidatie of verbranding in ketels, is verplicht en wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Niet alle relevante parameters worden immers afgedekt door een BBT-GEN (CO). - De overige technieken worden niet opgenomen, aangezien één of een combinatie van de technieken mogelijk is en er verder BBT-GEN gelden. 3.21.2.9.4. BBT 15 tabel 1.3 tabel 1.4 Eerste lid - Voor stof, NOX en SO2 worden de bovengrenzen opgenomen in titel III van het VLAREM. - Voetnoot 1 bij tabel 1.3 duidt aan dat de toepasbaarheid van de emissiegrenswaarden voor stof en NOX mogelijks beperkt zijn, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. De toepasbaarheid luidt als volgt: “Het BBT-GEN-bereik is alleen van toepassing wanneer uitsluitend aardgas als brandstof wordt gebruikt”. - Voetnoot 2 bij tabel 1.3, m.b.t. recuperatieve thermische oxidatoren, wordt omgezet als voetnoot bij de tabel. - De emissiegrenswaarden gelden enkel voor de verbranding van onaangenaam geurende gassen in thermische oxidatoren. Dergelijke verbranding kan echter ook gebeuren in ketels/boilers die daarnaast ook gebruikt worden voor energieproductie. Voor deze ketels/boilers werden in de BBT-conclusies geen emissiegrenswaarden afgeleid omdat deze installaties onder de EU richtlijn voor middelgrote stookinstallaties (MCP) vallen (welke werd omgezet in afdeling 5.43.2 van titel II van het VLAREM), tenzij ze te beschouwen zijn onder de uitzondering van deze richtlijn voor “naverbrandingsinstallaties voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd”. Welke emissiegrenswaarden passend zijn voor dit type installaties moet bijgevolg case per case beoordeeld worden, en zal worden bekeken in de algemene evaluaties. Tabel 1.4 - De indicatieve emissiewaarde voor koolstofmonoxide (CO) van 3-30 mg/Nm³ wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM, maar kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de algemene evaluaties. 3.21.2.9.5. BBT 8 - De monitoring uit BBT 8 wordt opgenomen in het eerste lid. Deze monitoringfrequenties zijn de minimale frequenties volgens de BBT- conclusies. Indien de massadrempels uit bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM worden overschreden, zijn de huidige meetfrequenties strenger en blijven deze uiteraard gelden. Dit principe wordt overgenomen in titel III van het VLAREM voor de duidelijkheid. - Voetnoot 1 bij BBT 8, met name “Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden” wordt niet opgenomen aangezien dit algemeen staat vermeld in artikel 2.3.2.4 van titel III van het VLAREM. - Voetnoot 2 en voetnoot 4 van BBT 8, welke de link leggen met het overzicht van de inputs & outputs (in dit geval de afgasstromen), worden opgenomen als voetnoot bij de tabel. Voor geurconcentratie leggen we in het geval van slachthuizen de link met de relevantie voor de receptoren. - Voetnoot 3, welke voor geurconcentratie verduidelijkt dat de opgesomde activiteiten/processen ook de verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet- condenseerbare gassen, omvatten, wordt verwerkt in de tabel. - de meetfrequenties zijn op alle geleide emissies naar lucht van toepassing, dus ook op de emissiepunten gelinkt aan de verbranding van onaangenaam geurende gassen in ketels/boilers, niettegenstaande daar geen emissiegrenswaarden voor worden vastgelegd in de BBT- conclusies. In het geval dergelijke ketels/boilers ook onder het toepassingsgebied van de EU richtlijn voor middelgrote stookinstallaties (MCP) vallen, blijven de meetfrequenties vermeld in afdeling 5.43.2 van titel II van het VLAREM ook nog van toepassing. - In het tweede lid wordt opgenomen dat de bepaling van de geurconcentratie moet gebeuren volgens NBN EN 13725 door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010. Er bestaat momenteel geen LUC-methode voor de bepaling van de geurconcentratie. Wel bestaat hiervoor pakket L.17 binnen de erkenning als laboratorium in de discipline lucht, namelijk “nemen van geurmonsters en uitvoeren van geuranalyses door middel van olfactometrie”. Onderafdeling 3.21.2.10. Geluid en geur - BBT 16 Niet omgezet (bespreking zie boven tabel), maar wel mee te nemen bij de algemene evaluaties, waar dan zal worden geëvalueerd of deze BBT- conclusie van toepassing is op de installatie. Indien nodig worden de milieuvoorwaarden bijgesteld om een volledige omzetting van de BBT- conclusies te bekomen. 3.21.2.10.1. BBT 17 - “één of een combinatie van technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 17 uit de BBT-conclusies verwezen. 3.21.2.10.2. BBT 18 - Het opzetten van een geurbeheersplan, incl. welke elementen dat moet omvatten, wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. De toepasbaarheid is volgens de BBT-conclusies beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan. Gezien de voorliggende sector (slachthuizen, vervaardiging van gelatine, rendering), de dichtbevolktheid in Vlaanderen en het aantal bedrijven in Vlaanderen die reeds een geurbeheersplan hebben (gehad), wordt het geurbeheersplan voor deze sector in Vlaanderen steeds relevant geacht. - De BBT-conclusies doen verder geen uitspraak over hoe “een protocol voor de monitoring van geur” moet worden uitgewerkt en met welke frequentie. In geval overeenkomstig artikel 3.21.2.9.5 jaarlijkse monitoring van geurconcentratie op geleide emissies volgens EN 13725 verplicht is, maken deze metingen deel uit van dit protocol. Aanvullende monitoring kan nodig zijn. In geval de jaarlijkse monitoring volgens EN 13725 niet verplicht is, of voor aanvullende monitoring, kan het aangewezen zijn om de blootstelling aan geur in de omgeving periodiek te bepalen volgens EN 16841-1 of 16841-2. Zo wordt rekening gehouden met o.a. de bijdrage van diffuse emissies, de lokale impact en de hinder in de omgeving. - De BBT-conclusies geven nog mee dat het programma voor geurpreventie en -vermindering dient om de bron(nen) op te sporen, de blootstelling aan geur te meten/ramen, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en preventieve en/of verminderende maatregelen te nemen. 3.21.2.10.3. BBT 19 - “een passende combinatie van technieken” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 19 uit de BBT-conclusies verwezen. Onderafdeling 3.21.2.11. Gebruik van koelmiddelen 3.21.2.11.1. BBT 20 - De BBT moet worden toegepast en wordt overgenomen in titel III van het VLAREM. De BBT-conclusies geven nog mee dat geschikte koelmiddelen bijvoorbeeld water, koolstofdioxide, propaan en ammoniak zijn. - Voor koelinstallaties die gebruik maken van F-gassen geldt de EU F- gassenverordening 2024/573. Afdeling 3.21.3. Slachthuizen Onderafdeling 3.21.3.1. Energie-efficiëntie 3.21.3.1.1. BBT 21 - Techniek a) van BBT 21 bevat het beheersplan voor de koeling van slachthuizen, dat onderdeel uitmaakt van het milieubeheersysteem, en wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - De met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN) gelden voor het merendeel van de subsectoren (slachten van rundvee, kippen, varkens), de techniek b) wordt daarom niet opgenomen. De techniek b) geldt bovendien specifiek voor slachting van varkens of kippen, beide hebben een BBT-GMPN in tabel 1.5. 3.21.3.1.2. BBT 21 tabel 1.5 - De bovengrenzen van de BBT-GMPN voor specifieke netto- energieverbruik worden opgenomen in het eerste lid. Voor het slachten van kippen wordt enkel toegelaten om de milieuprestatie uit te drukken in het aantal geslachte dieren. Voor het alternatief om uit te drukken in karkasgewicht bleek er teveel onduidelijkheid over de bepaling van het karkasgewicht. - Voetnoot 1 van tabel 1.5, welke specifieert dat de verschillende eenheden alternatieven zijn, wordt opgenomen als tweede lid. - Voetnoot 2 van tabel 1.5 informeert dat de grenswaarden zijn afgeleid op basis van informatie van 100% slachting van de betrokken soort. Voor combinaties van slachting van verschillende soorten (e.g. 50% varkens, 50% runderen) zal voor de vergunning een grenswaarde worden afgeleid via een verdeelsleutel, te bekijken bij de algemene evaluatie. - Voetnoten 3, 4 en 5 van tabel 1.5 tonen dat de toepasbaarheid van de grenswaarde mogelijks beperkt is in bepaalde situaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. - In het derde lid wordt er voor de duidelijkheid een verwijzing opgenomen naar het artikel in VLAREM waar de monitoring werd geïmplementeerd, en naar het artikel in VLAREM waar de berekening werd opgenomen. Onderafdeling 3.21.3.2. Afvalwater 3.21.3.2.1. BBT 22 tabel 1.6 - De BBT-GMPN gelden voor het merendeel van de subsectoren (slachten van runderen, varkens, kippen), de technieken worden niet opgenomen. De technieken gelden bovendien specifiek voor slachting van de vermelde subsectoren waarvoor BBT-GMPN zijn opgenomen in tabel 1.6. - De bovengrenzen van de BBT-GMPN voor specifieke lozing van afvalwater worden opgenomen in het eerste lid. Voor het slachten van kippen wordt enkel toegelaten om de milieuprestatie uit te drukken in het aantal geslachte dieren. Voor het alternatief om uit te drukken in karkasgewicht bleek er teveel onduidelijkheid over de bepaling van het karkasgewicht. - Voetnoot 1 van tabel 1.6, welke specifieert dat de verschillende eenheden alternatieven zijn, wordt opgenomen als tweede lid. - Voetnoot 2 van tabel 1.6 informeert dat de grenswaarden zijn afgeleid op basis van informatie van 100% slachting van de betrokken soort. Voor combinaties van slachting van verschillende soorten (e.g. 50% varkens, 50% runderen) zal voor de vergunning een grenswaarde worden afgeleid via een verdeelsleutel, te bekijken bij de algemene evaluatie. - Voetnoten 3 en 4 van tabel 1.6 tonen dat de toepasbaarheid van de grenswaarde mogelijks beperkt is in bepaalde situaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. - In het derde lid wordt er voor de duidelijkheid een verwijzing opgenomen naar het artikel in VLAREM waar de monitoring werd geïmplementeerd, en naar het artikel in VLAREM waar de berekening werd opgenomen. Onderafdeling 3.21.3.3. Gebruik van koelmiddelen 3.21.3.3.1. BBT 23 - De technieken worden niet afgedekt met een bindende BBT-GMPN, maar enkel met een richtwaarde en worden dus opgenomen in titel III van het VLAREM. - Voor techniek a), het beheersplan voor de koeling, wordt doorverwezen naar het artikel waarin dit beheersplan reeds werd vastgelegd. - Techniek b), namelijk een preventief en correctief onderhoud toepassen, blijkt uit inspectie-ervaringen een aandachtspunt bij sommige slachthuizen en is in elk geval een belangrijke maatregel ter correct gebruik van koelinstallaties en ter maximale reducties van hun emissies. Daarom wordt deze techniek overgenomen in titel III van het VLAREM. - “samen met techniek b) of c), of alle drie” impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt bij de toepassing van techniek c) (koelmiddellekdetectoren) “waar passend” vermeld, zodat geval per geval kan bekeken worden waar koelmiddellekdetectoren al dan niet relevant zijn. - Artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM bevat enkele bepalingen voor onder meer koelinstallaties die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten. Deze bepalingen blijven uiteraard behouden. 3.21.3.3.2. BBT 23 tabel 1.7 algemene overwegingen - De bovengrens van het indicatief emissieniveau wordt in het eerste lid opgenomen als richtwaarde. Artikel 5.16.3.3, §6, van titel II van het VLAREM regelt het relatief lekverlies voor bepaalde koelinstallaties. Deze bepalingen blijven uiteraard behouden. - In het tweede lid wordt opgenomen hoe de richtwaarden wordt gedefinieerd en hoe het moet worden uitgedrukt en berekend. Bij gebruik van natuurlijke koelmiddelen worden de verliezen aan koelmiddelen berekend als een voortschrijdend gemiddelde over drie jaar van de jaarlijkse verliezen. Bij de F-gassen gebeurt dit op jaarlijkse basis conform artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM. - Voor de duidelijkheid wordt daarnaast in het derde lid een verwijzing opgenomen naar het artikel in VLAREM waar de monitoring werd geïmplementeerd. Afdeling 3.21.4. Verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten Onderafdeling 3.21.4.1. Energie-efficiëntie 3.21.4.1.1. BBT 24 tabel 1.8 - De bovengrenzen van de BBT-GMPN voor specifieke netto- energieverbruik worden opgenomen in het eerste lid. - De voetnoot 1 van tabel 1.8 toont dat de toepasbaarheid van de grenswaarde mogelijks beperkt is in bepaalde situaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. De voetnoot stelt dat de BBT-GMPN van toepassing op installaties die uitsluitend varkenshuid als grondstof gebruiken, aangezien tijdens de datacollectie van de BREF enkel installaties deelnamen die (momenteel) uitsluitend dit type grondstof gebruiken. - In het tweede lid wordt er voor de duidelijkheid een verwijzing opgenomen naar het artikel in VLAREM waar de monitoring werd geïmplementeerd, en naar het artikel in VLAREM waar de berekening werd opgenomen. Onderafdeling 3.21.4.2. Afvalwater 3.21.4.2.1. tabel 1.9 - De bovengrenzen van de BBT-GMPN voor specifieke lozing van afvalwater worden opgenomen in het eerste lid. - Voetnoot 1 van de tabel 1.9, m.b.t. lozingen van zeewater afkomstig van de productie van vismeel en visolie, wordt niet opgenomen. In Vlaanderen wordt geen productie van vismeel en visolie uitgevoerd. Een mogelijke uitzondering van de BBT-GEN voorzien is daarom niet nodig, ook niet voor eventueel nieuwe installaties die in de toekomst deze productie zouden opstarten aangezien bij nieuwe installaties de beste stand ter techniek verwacht wordt. - De voetnoot 2 van tabel 1.9 toont dat de toepasbaarheid van de grenswaarde mogelijks beperkt is in bepaalde situaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. De voetnoot stelt dat de BBT-GMPN van toepassing op installaties die uitsluitend varkenshuid als grondstof gebruiken, aangezien tijdens de datacollectie van de BREF enkel installaties deelnamen die (momenteel) uitsluitend dit type grondstof gebruiken. - In het tweede lid wordt er voor de duidelijkheid een verwijzing opgenomen naar het artikel in VLAREM waar de monitoring werd geïmplementeerd, en naar het artikel in VLAREM waar de berekening werd opgenomen. Onderafdeling 3.21.4.3. Emissies naar lucht 3.21.4.3.1. BBT 25 tabel 1.10 - Er zijn emissiegrenswaarden opgenomen voor emissies naar lucht die afkomstig zijn van rendering, smelten van vetten, verwerking van veren of bloedverwerking, of van de productie van vismeel en visolie. Daarom worden de technieken uit BBT 25 niet opgenomen in titel III van het VLAREM. - Voor de vervaardiging van gelatine zijn er echter geen BBT-GEN vastgelegd. Welke technieken eventueel passend zijn voor dit type installaties moet bijgevolg case per case beoordeeld worden, en zal worden bekeken in de algemene evaluaties. - De bovengrenzen van de BBT-GEN voor geleide emissies naar lucht worden opgenomen. - Voetnoot 1, m.b.t. het feit dat de emissiegrenswaarde mogelijk niet van toepassing is voor de verbranding van onaangenaam geurende gassen (dat kan bijvoorbeeld in thermische oxidatoren of stoomketels), wordt omgezet als voetnoot in de tabel. De BBT-conclusies geven nog mee dat een voldoende hoge verbrandingstemperatuur doorgaans tussen 750 en 850°C bedraagt, en een voldoende verblijftijd doorgaans tussen 1 en 2 seconden ligt.- Voetnoot 2, m.b.t. technieken tegen onaangenaam geurende gassen andere dan verbranding, wordt omgezet als voetnoot in de tabel. - Voetnoot 3 m.b.t. de emissiegrenswaarde voor NH3 wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel. - Voetnoot 4, welke de link legt met het overzicht van de inputs & outputs (cfr. afgasstromen), wordt opgenomen als voetnoot bij de tabel. - De standaardomstandigheden voor geurconcentratie, in de BBT- conclusies vermeld onder de algemene overwegingen, worden hier vermeld in het tweede lid: nat gas, 293, 101,3 kPa. 3.21.4.3.2. BBT 25 tabel 1.11 - De bovengrenzen van de BBT-GEN voor geleide emissies naar lucht worden opgenomen. - Voetnoten 1 en 2 tonen dat de toepasbaarheid van de emissiegrenswaarden mogelijks beperkt is in bepaalde situaties, daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.21.2.1.1. - De standaardomstandigheden voor geurconcentratie, in de BBT- conclusies vermeld onder de algemene overwegingen, worden hier vermeld in het tweede lid: nat gas, 293, 101,3 kPa. Hoofdstuk 3. Slotbepaling Artikel 3 Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast. Brussel, 27 juni 2025.
AI-assistent