Besluit van de Vlaamse Regering
06 dec. 2024· Belgisch Staatsblad 13 jan. 2025· numac 2024011752Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en het VLAREL van 19 november 2010
Officiële tekst in de Vlaamse CodexArtikel Verslag aan de Vlaamse Regering
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING
1. ALGEMENE TOELICHTING
Het voorliggende besluit van de Vlaamse Regering beoogt diverse bepalingen te wijzigen in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het VLAREL van 19 november 2010 en in de bijlagen van het Milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008.
De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van het VLAREBO-besluit gaan over:
1) Cofinanciering van beschrijvende bodemonderzoeken voor PFAS-verontreinigingen als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefeningen
Hierbij is het opzet om een cofinancieringsregeling op te stellen voor de uitvoering van beschrijvende bodemonderzoeken voor PFAS-verontreiniging als gevolg van brandbestrijding en brandbestrijdingsoefeningen.
De noodzaak tot deze cofinancieringsregeling omvat meerdere factoren. Enerzijds dringen het Netwerk Brandweer en de Vlaamse Vereniging van Steden en gemeenten aan op een financiële tussenkomst voor het uitvoeren van beschrijvende bodemonderzoeken bij PFAS-verontreinigingen. Dit omdat de lokale besturen en de hulpverleningszones niet over voldoende middelen beschikken om het onderzoek en de sanering hiervan te financiering. Deze instanties hebben steeds gehandeld naar bestwil en vermogen op basis van de destijds beschikbare informatie en technologie. Ook was er nog onvoldoende “awareness” over de schadelijkheid voor mens en milieu. Anderzijds worden bedrijven in sommige gevallen verplicht om brandweeroefeningen te houden op hun bedrijfsterreinen. Voorts worden vele particulieren en ondernemingen onbillijk belast met de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek ten gevolge van branden en/of andere incidenten.
Minister Demir heeft als minister van Omgeving eerder te kennen gegeven dat ze samen met de betrokken partijen voorstander is van een solidarisering in de aanpak van deze problematiek. Op de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 heeft de toenmalige minister van Omgeving Demir het belang onderstreept van een duidelijke omkadering rond de financiering van bijkomende saneringsuitdagingen en flankerende maatregelen bij zorgwekkende stoffen. De Vlaamse Regering heeft dit ook bekrachtigd.
Enerzijds wil deze cofinancieringsregeling exploitanten, gebruikers of eigenaars die volgens het Bodemdecreet verplicht worden om een beschrijvend bodemonderzoek voor PFAS-verontreiniging uit te voeren, ertoe aanzetten om versneld over te gaan tot zo’n beschrijvend bodemonderzoek. De voorgestelde regeling zal aanleiding geven tot het in kaart brengen van de reële omvang van de PFAS-verontreinigingen in Vlaanderen waarvoor een bodemsanering noodzakelijk is. De voorgestelde cofinancieringsregeling zal het aantal saneringen van gronden met een ernstige PFAS-bodemverontreiniging doen toenemen of minstens versnellen en op die manier ervoor zorgen dat de druk op milieu en natuur afneemt zodat het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat als gevolg van milieuvervuiling daalt.
Anderzijds heeft de voorgestelde cofinancieringsregeling tot doel het maatschappelijk draagvlak voor het bodemsaneringsbeleid in het Vlaamse Gewest op termijn te verhogen. Het huidige systeem wordt in bepaalde gevallen als onbillijk ervaren waar men belast wordt met de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek ten gevolge van branden en/of andere incidenten. Met de cofinancieringsregeling kan aan dit euvel worden tegemoetgekomen. Vanuit billijkheidsoverwegingen dringt een afwijking van de bestaande cofinancieringsregeling voor historische bodemsaneringswerken op, zoals verder uitgewerkt.
Verder moet ook in acht worden genomen dat een aantal saneringsplichtigen reeds beschrijvende bodemonderzoeken opgestart of afgerond hebben. Om deze “goede leerlingen” niet af te straffen voorziet de Vlaamse Regering in de nieuwe cofinancieringsregeling dat ook cofinanciering kan worden toegekend voor de voor de inwerkingtreding van de nieuwe cofinancieringsregeling gemaakte kosten van beschrijvende bodemonderzoeken (opdracht voor uitvoering daterend van na 21 september 2021) voor brandbestrijdings- en brandblusoefeninggerelateerde PFAS-verontreinigingen.
2) Wijziging bestaande cofinancieringsregeling voor de uitvoering van bodemsaneringswerken voor historische bodemverontreiniging
In de huidige cofinancieringsregeling voor bodemsaneringswerken van historische bodemverontreiniging wordt het personele toepassingsgebied uitgebreid met de eigenaars die bij beslissing van de OVAM of de minister van Omgeving (administratief beroep), of van rechtswege zijn vrijgesteld van de saneringsplicht.
Hoewel de OVAM streeft naar een integratie van de herontwikkeling en de ambtshalve sanering is het toch niet mogelijk om in alle situaties ambtshalve op te treden vanwege de beperkte financiële middelen en personeel bij de OVAM. De wijziging van het personeel toepassingsgebied en het optrekken van het maximale percentage van de cofinanciering tot 80%, specifiek voor eigenaars die zijn vrijgesteld van saneringsplicht, kan ervoor zorgen dat vrijgestelde eigenaar bij een financiële afweging van de voordelen (mogelijkheid tot herontwikkeling en geoptimaliseerd gebruik van het terrein na infrastructuurwerken) en nadelen (20% van de kosten voor de bodemsaneringswerken zullen ten zijnen laste zijn) toch wenst over te gaan tot de uitvoering van de bodemsaneringswerken en dat in eerste instantie op eigen kosten. Voor 80% van de kosten kan de eigenaar daarna via facturen een tussenkomst via cofinanciering vragen.
Daarnaast wordt het maximale bedrag van de cofinanciering verhoogd van 200.000 euro naar 300.000 euro, wat in overeenstemming is met de wijzigingen in de Europese de-minimisregeling.
3) Overige wijzigingen van het VLAREBO-besluit
Verder zijn er nog een reeks beperkte wijzigingen van bestaande regelingen in het VLAREBO-besluit, zoals:
- De aanvulling van de lijst van opstallen die voor de toepassing van de bodemwetgeving niet als grond worden beschouwd;
- Een beperkte wijziging rond de aanvaarding van financiële zekerheden in het kader van het Bodemdecreet;
- Een beperkte aanpassing van de inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject.
- Een aantal beperkte wijzigingen van de specifieke subsidieregeling voor de erkende bodemsaneringsorganisaties;
- Een aantal juridisch-technische aanpassingen en correcties in het VLAREBO-besluit.
Ook bevat het voorliggende ontwerp van besluit een aantal wijzigingen van het VLAREL van 19 november 2010, in het bijzonder de erkenningsvoorwaarden en bijzondere gebruikseisen voor de erkende bodemsaneringsdeskundigen om de kwalitatieve uitvoering van de taken in het kader van het Bodemdecreet en haar uitvoeringsbesluiten verder te waarborgen.
Ten slotte voorziet het ontwerp van besluit nog in de aanpassing van de lijst van milieu-inbreuken in bijlage XII en XXIII van het Milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008. Die aanpassing is nodig gelet op een aantal wijzigingen van het VLAREBO-besluit en het VLAREL in voorliggend ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering.
2. TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
Artikel 1. Opstallen die geen grond zijn
De Vlaamse Regering bepaalt in artikel 4 van het VLAREBO welke opstallen niet als ‘grond’ worden beschouwd op voorwaarde dat in de opstal zelf nooit een risico-inrichting was gevestigd. Zo worden o.m. de scheidingsmuren en omheiningen, de reclameborden en -zuilen, het straatmeubilair en abri’s, de antennes en masten, de laagspanningskasten, de installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie en de rails van trein, tram en metro niet beschouwd als grond. Dit is eveneens van toepassing voor allerlei netwerken zoals voor het regenwater- en drinkwaterleidingnetwerk, het elektriciteits- en gasdistributienetwerk en de datacommunicatie-, computer- en televisiekabelnetwerken.
Deze opstallen veroorzaken in principe geen bodemverontreiniging. Het heeft weinig zin om de regeling overdracht hierop van toepassing te maken.
Dit is ook het geval voor een aantal gelijkaardige opstallen die door maatschappelijke ontwikkelingen pas recenter zijn opgedoken of een bredere toepassing hebben gekregen zoals elektrische laadpalen, warmtenetwerken en stoomnetwerken en hun aanhorigheden. Met voorliggend besluit worden ze voor de toepassing van het Bodemdecreet ook niet langer beschouwd als grond.
Artikel 2. Aanpassing financiële zekerheid
Artikel 8, tweede lid, van het VLAREBO bepaalt dat de OVAM ook een andere financiële zekerheid kan aanvaarden als is aangetoond dat die financiële zekerheid voldoende garantie geeft dat de verplichtingen bij of krachtens het Bodemdecreet kunnen worden nagekomen. De bestaande bepaling gaat uit van een aantoonbaarheid van de garantie.
Het is echter net de OVAM die vanuit de kennis van het dossier beschikt over de informatie die de beoordeling mogelijk maakt of voldoende garanties worden geboden dat de verplichtingen kunnen worden nageleefd. Om die reden wordt de voormelde bepaling van het VLAREBO gewijzigd in die zin dat de OVAM zelf oordeelt of de voorgestelde andere financiële zekerheid voldoende garantie geeft dat de verplichtingen bij of krachtens het Bodemdecreet kunnen worden nagekomen en dus de indeplaatsstelling kan worden aanvaard.
Artikel 3 en 4. Grondeninformatieregister – instrumenterende ambtenaren
Artikel 3 van het wijzigingsbesluit strekt ertoe in artikel 13 van het VLAREBO te schrappen dat de OVAM een grond opneemt in het Grondeninformatieregister wanneer zij beschikt over de identiteit van de eigenaar van de grond. Op basis van de kadastrale gegevens, die wel nog een vereiste zijn tot opname van de grond in het Grondeninformatieregister, is het duidelijk dat voor de OVAM voldoende informatie ter beschikking staat om die identiteit van de eigenaar te bepalen. Door de koppeling van de databanken staat deze informatie ter beschikking voor de OVAM.
Verder wordt in artikel 13 van het VLAREBO toegevoegd dat ook instrumenterende ambtenaren vaststellingen kunnen doen van relevante gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit van gronden. Deze relevante gegevens kunnen dan leiden tot een opname van de grond in het Grondeninformatieregister. Een voorbeeld van dergelijke vaststelling is dat de notaris bij een verkoop tijdens het onderzoek van de historiek van de grond tot de conclusie komt dat op het terrein bodemverontreiniging voorkomt door een incident wat niet bekend was bij een lokaal bestuur of andere instanties zoals vermeld in artikel 13 van het VLAREBO. Daarnaast wordt door de OVAM gedacht aan de verrijking van het bodemattest, bv. door het toevoegen van informatie rond de mogelijkheid tot overdracht van de grond. Deze informatie moet o.m. door de notaris worden aangeleverd en kan aanleiding geven tot de opname van de grond in het Grondeninformatieregister.
Ten slotte is door de wijziging van artikel 13 VLAREBO, waar de instrumenterende ambtenaren nu uitdrukkelijk zijn vermeld, de vermelding van de instrumenterende ambtenaren in artikel 14 overbodig geworden. Die woorden worden dus geschrapt met artikel 4 van dit wijzigingsbesluit.
Artikel 5. Cofinanciering bodemsaneringswerken – Wijziging titel
Door de toevoeging van een nieuwe afdeling, nl. Afdeling IV/1 in hoofdstuk III van titel III van het VLAREBO, nl. ‘Cofinanciering voor de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek voor bodemverontreiniging met PFAS als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefening’ is het nodig om de bestaande titel van afdeling IV ‘Cofinanciering’ voor alle duidelijkheid aan te passen. De afdeling IV heeft namelijk betrekking op de cofinanciering voor bodemsaneringswerken.
Artikel 6. Cofinanciering voor bodemsaneringswerken – Verwijzing naar Europese de-minimisverordening
In artikel 54/1, tweede lid, van het VLAREBO-besluit over de cofinanciering van de kosten van bodemsaneringswerken voor historische bodemverontreiniging wordt verwezen naar de de-minimisverordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013. Intussen is evenwel de nieuwe de-minimisverordening nr. 2023/2831 van de Commissie van 12 december 2023 in de plaats gekomen.
Met deze bepaling wordt de verwijzing in artikel 54/1, tweede lid, van het VLAREBO-besluit naar de Europese de-minimiswetgeving geactualiseerd.
Artikel 7. Cofinanciering voor bodemsaneringswerken bij vrijstelling saneringsplicht
Door dit artikel wordt het personeel toepassingsgebied van de cofinancieringsregeling voor bodemsaneringswerken in artikel 54/2 van het VLAREBO-besluit uitgebreid met de eigenaars die bij beslissing van de OVAM of de minister van Omgeving (administratief beroep), of van rechtswege zijn vrijgesteld van de saneringsplicht.
De OVAM stelt namelijk vast dat zij bij de vrijstelling van saneringsplicht in de meeste gevallen niet direct kan optreden om de ambtshalve sanering uit te voeren. In enkele gevallen en bij een lagere milieuprioriteit kan het jaren duren vooraleer de OVAM het beschrijvend bodemonderzoek en de daaropvolgende bodemsaneringswerken gaat uitvoeren. Intussen wenst de eigenaar van het terrein soms al over te gaan tot een herontwikkeling of infrastructuurwerken op het terrein. Hoewel de OVAM streeft naar een integratie van de herontwikkeling en de ambtshalve sanering is het toch niet mogelijk om in alle situaties ambtshalve op te treden vanwege de beperkte financiële middelen en personeel bij de OVAM.
De wijziging van het personeel toepassingsgebied en het optrekken van het maximale percentage van de cofinanciering tot 80% (zie verder), specifiek voor eigenaars die zijn vrijgesteld van saneringsplicht, kan ervoor zorgen dat vrijgestelde eigenaar bij een financiële afweging van de voordelen (mogelijkheid tot herontwikkeling en geoptimaliseerd gebruik van het terrein na infrastructuurwerken) en nadelen (20% van de kosten voor de bodemsaneringswerken zullen ten zijnen laste zijn) toch wenst over te gaan tot de uitvoering van de bodemsaneringswerken en dat in eerste instantie op eigen kosten. Voor 80% van de kosten kan de eigenaar daarna via facturen een tussenkomst via cofinanciering vragen.
Het is duidelijk dat deze regeling ook een verlichting betekent van de financiële middelen die door de overheid moeten worden voorzien voor de bodemsaneringswerken bij vrijgestelde eigenaars. Bij een uitvoering door de OVAM moet namelijk rekening worden gehouden met een 100% financiering terwijl in dit geval de bodemsaneringswerken slechts voor 80% doorwegen in de financiële middelen. Gelet op de bepalingen rond de vrijwillige bodemsanering in het Bodemdecreet is het duidelijk dat deze regeling enkel in aanmerking komt in de gevallen waar effectief bodemsanering noodzakelijk is.
De voorgestelde wijziging impliceert dat de uitsluiting van de cofinanciering van ‘de eigenaar die vrijgesteld is van de saneringsplicht’ n artikel 54/2, tweede lid, van het VLAREBO moet worden opgeheven.
Artikel 8. Uitsluiting cofinanciering voor bodemsaneringswerken bij gasolietanks
In artikel 54/3, tweede lid, van het VLAREBO-besluit worden de bodemsaneringswerken voor een aantal gevallen van bodemverontreiniging uitgesloten uit het materieel toepassingsgebied van de cofinancieringsregeling voor de kosten van bodemsaneringswerken. Met deze uitsluiting wil men vermijden dat de bodemsaneringswerken voor bodemverontreinigingen die via een fondswerking of andere financiële tussenkomst al worden ondersteund nog eens in aanmerking zouden komen voor cofinanciering vanwege de overheid.
Door de invoering van een regeling voor gasolietanks in het Bodemdecreet, die een implementatie was van het aangepaste samenwerkingsakkoord van 25 juli 2018, is in Afdeling VIbis ‘Bodemverontreiniging door gasolietanks, aangemeld bij het Fonds’ van hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet een tussenkomst via het Fonds Promaz voorzien. Het is dan ook nodig om deze vorm van bodemverontreiniging bij gasolietanks uit te sluiten van het materieel toepassingsgebied van de cofinanciering.
Met voorliggende wijzigingsbepaling wordt in artikel 54/3, tweede lid, van het VLAREBO nu ook verwezen naar een bodemverontreiniging die het gevolg is van de exploitatie van een gasolietank als vermeld in het samenwerkingsakkoord van 25 juli 2018 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 9. Percentage van de cofinanciering
Zoals in de toelichting bij artikel 8 van dit wijzigingsbesluit al aangegeven, wordt het personeel toepassingsgebied van de regeling cofinanciering voor bodemsaneringswerken uitgebreid met de van saneringsplicht vrijgestelde eigenaars.
Om voldoende incentive te bieden aan deze eigenaars wordt van het maximale percentage van de cofinanciering tot 80% opgetrokken. Dit kan specifiek van toepassing zijn voor de eigenaars die zijn vrijgesteld van saneringsplicht. Het kan ervoor zorgen dat de vrijgestelde eigenaar bij een financiële afweging toch wenst over te gaan tot de uitvoering van de bodemsaneringswerken.
Immers kan de OVAM, gelet op de beschikbare personele en budgettaire middelen, bij vrijstelling van saneringsplicht voor de in het bodemdecreet aangeduide saneringsplichtige personen in de meeste gevallen niet direct ambtshalve optreden om de bodemsanering uit te voeren (art. 157, eerste lid Bodemdecreet) en gebeurt het ambtshalve optreden op basis van prioriteitenstelling.
Als de vrijgestelde eigenaar intussen al wenst over te gaan tot een herontwikkeling of infrastructuurwerken op het terrein, kan een percentage van cofinanciering van 80% ervoor zorgen dat de eigenaar bij een afweging van de voordelen (mogelijkheid tot herontwikkeling en geoptimaliseerd gebruik van het terrein na infrastructuurwerken) en nadelen (20% van de kosten voor de bodemsaneringswerken zullen ten zijnen laste zijn) toch overgaat tot de uitvoering van de bodemsaneringswerken en dat in eerste instantie op eigen kosten. Voor 80% van de kosten kan de eigenaar daarna via facturen een tussenkomst via cofinanciering vragen.
Hiervoor is het nodig om in het derde lid van het artikel 54/5 van het VLAREBO te verduidelijken dat de minister het percentage van de cofinanciering kan variëren naargelang de begunstigde al dan niet een onderneming of van saneringsplicht vrijgesteld is.
Artikel 10 - 11. Maximaal bedrag van de cofinanciering
Deze artikelen hebben tot bedoeling om in lijn te zijn met de aanpassing van het maximaal uit te keren bedrag, zoals opgenomen in de aangepaste de-minimiswetgeving op Europees niveau. Het gecumuleerde bedrag van de cofinanciering voor de bodemsaneringswerken voor dezelfde bodemverontreiniging, dat toegekend wordt aan een begunstigde, kan dan niet meer dan 300.000 euro bedragen. Deze aanpassing gebeurt zowel in artikel 54/7 als in artikel 54/14 van het VLAREBO.
Daarnaast wordt met een wijziging van artikel 54/14, tweede lid, van het VLAREBO verwezen naar de nieuwe verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.
Artikel 12. Terugvordering cofinanciering voor bodemsaneringswerken
Artikel 54/15 van het VLAREBO regelt de gevallen waarin de OVAM de cofinanciering voor bodemsaneringswerken geheel of gedeeltelijk kan terugvorderen. De regeling voorziet in een aantal specifieke gevallen van terugvordering en verwijst daarnaast naar de gevallen, opgesomd in artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Deze regeling van de cofinanciering van bodemsaneringswerken werd bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 ingevoegd in het VLAREBO.
Intussen is de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 tussengekomen die in artikel 76 op een algemeen wijze regelt in welke gevallen de begunstigde de subsidie moet terugbetalen en die verder ook verwijst naar de voormelde wet van 16 mei 2003. Die bepaling is van toepassing op de subsidies die door de OVAM worden toegekend.
Met voorliggende wijzigingsbepaling wordt artikel 54/15 van het VLAREBO dan ook aangepast in die zin dat niet langer verwezen wordt naar de wet van 16 mei 2003, maar wel naar artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën.
Artikel 13. Invoeging regeling cofinanciering beschrijvend bodemonderzoek PFAS-bodemverontreiniging als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefening
Met dit artikel wordt een nieuwe afdeling (Afdeling IV/1) ingevoegd in hoofdstuk III van titel III van het VLAREBO met als titel ‘Cofinanciering voor de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek voor bodemverontreiniging met PFAS als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefening’, bestaande uit de artikelen 54/15/1 tot en met 54/15/9.
Dit artikel voorziet in een cofinancieringsregeling voor de uitvoering van beschrijvende bodemonderzoeken voor PFAS-verontreiniging als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefeningen.
Het is ontegensprekelijk zo dat voormelde PFAS-verontreinigingen een bijzondere plaats innemen wanneer het gaat over de redenen van totstandkoming van deze verontreinigingen. De bodem- en grondwaterverontreinigingen met andere verontreinigende stoffen zoals minerale olie, gechloreerde solventen en PAK’s betreffen bijna steeds emissies ten gevolge van de exploitatie van een ‘hinderlijke inrichting’ waarbij tijdens het productieproces, de opslag of de behandeling van producten of afvalstoffen door de exploitant steeds moet gelet worden op een zorgvuldige aanpak die de emissies naar de omgeving uitsluiten of minstens tot een minimum beperken. De activiteiten uitgeoefend door de brandweer (zowel overheid als bedrijven) bij oefeningen of bij brandbestrijding zijn er in eerste instantie vanuit het maatschappelijk belang en vanuit een maatschappelijke taak op gericht om de impact van een brand te bestrijden. Dit gebeurt mede door het oefenen met PFAS-houdend blusschuim. Vanuit een maatschappelijk belang worden hier dus ‘verontreinigende stoffen’ in het milieu gebracht. Er is daarnaast ook het argument van de billijkheid van het dragen van onderzoeks- en saneringslasten voor de betrokken partijen die vanuit een ongewenste situatie (slachtoffers van een brand in eigendom of zaak waar ze gebruiksrechten of zakelijke rechten hebben) of vanuit een maatschappelijke taak en verplichting (brandweer of verplichting tot brandweeroefening bij bedrijf) met deze PFAS-verontreinigingen worden geconfronteerd.
Onderafdeling I. Algemeen
Het eerste lid van het ontworpen artikel 54/15/1 van het VLAREBO bevestigt het decretaal vastgelegde principe dat cofinanciering maar kan worden toegekend binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten. Daarnaast volgt uit dit lid dat de beslissingsbevoegdheid over de aanvraag van cofinanciering bij de administrateur-generaal van de OVAM ligt en dat de cofinancieringsregeling enkel betrekking heeft op het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek.
Het tweede lid bepaalt dat de cofinanciering wordt toegekend met inachtneming van de verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun
Onderafdeling II. Toepassingsgebied
A. Personeel toepassingsgebied (personen die in aanmerking komen)
Het ontworpen artikel 54/15/2 van het VLAREBO omschrijft het personeel toepassingsgebied van deze specifieke cofinanciering, meer bepaald welke personen in aanmerking komen voor de cofinanciering. Het gaat om de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond waarop de bodemverontreiniging met PFAS als gevolg van brandbestrijding of brandblusoefeningen tot stand is gekomen.
De volgende personen komen niet in aanmerking:
- Exploitant, gebruiker of eigenaar die vrijgesteld is van de saneringsplicht;
- Exploitant, gebruiker of eigenaar die als onderneming niet voldoet aan de voorwaarden voor de de-minimissteunverlening;
- Exploitant, gebruiker of eigenaar ten laste van wie een proces-verbaal of een verslag van vaststelling werd opgesteld wegens schending van het Bodemdecreet of het VLAREBO-besluit.
B. Materieel toepassingsgebied (bodemverontreiniging die in aanmerking komt)
Volgens het ontworpen artikel 54/15/3 van het VLAREBO komt de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek voor een PFAS-bodemverontreinigingen in aanmerking voor cofinanciering, mits voldaan aan de drie volgende voorwaarden:
- het beschrijvend bodemonderzoek heeft betrekking op bodemverontreiniging met PFAS als gevolg van brandbestrijding of blandblusoefening waarvoor de OVAM heeft beslist dat conform het Bodemdecreet een beschrijvend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;
- het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, voor beschrijvend bodemonderzoek;
- het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op kosten van de persoon, vermeld in artikel 54/15/2 VLAREBO (personeel toepassingsgebied).
Onderafdeling III. Kosten die in aanmerking komen voor cofinanciering
Het ontworpen artikel 54/15/4 van het VLAREBO bepaalt welke kosten van de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek in aanmerking komen voor cofinanciering. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de kosten van een beschrijvend bodemonderzoek gemaakt door enerzijds ondernemingen en niet-ondernemingen andere dan natuurlijke personen en anderzijds niet-ondernemingen natuurlijke personen.
Voor ondernemingen en niet-ondernemingen andere dan natuurlijke personen moet het gaan om kosten van een beschrijvend bodemonderzoek waarvoor de opdracht tot uitvoering is gegeven na 21 september 2021 en waarvan de facturen dateren van minder dan vier jaar voor de datum van ontvangst van de aanvraag tot cofinanciering.
Voor niet-ondernemingen natuurlijke personen wordt een onderscheid gemaakt tussen de kosten van beschrijvende bodemonderzoeken die voor 1 februari 2025 (datum van inwerkingtreding) in uitvoering zijn/waren en de kosten van beschrijvende bodemonderzoek die na 1 februari 2025 worden opgestart. De kosten van een beschrijvend bodemonderzoek dat is uitvoering is/was, komen enkel in aanmerking als de opdracht tot uitvoering is gegeven na 21 september 2021 en voor 1 februari 2025 en waarvan de facturen dateren van minder dan vier jaar voor de datum van ontvangst van de aanvraag tot cofinanciering. Daarnaast komen enkel in aanmerking de kosten van een beschrijvend bodemonderzoek waarvoor de OVAM een cofinancieringsbeslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 54/15/8, derde lid, op voorwaarde dat het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige aangesteld door de OVAM conform de wetgeving overheidsopdrachten.
De startdatum voor de kosten die in aanmerking komen voor de voorliggende regeling tot cofinanciering van beschrijvende bodemonderzoeken voor PFAS-verontreiniging als gevolg van brandbestrijding en brandblusoefening is 21 september 2021.
Naar aanleiding van de PFAS-problematiek voert de OVAM sinds juni 2021 een intensifiëring van de inventarisatie van mogelijke risicolocaties voor bodemverontreiniging met PFAS door. Om de met PFAS-vervuilde locaties zo snel mogelijk op te sporen, ontvingen de lokale besturen op 19 juni 2021 een brief van de toenmalige ministers Beke, Demir en Somers. Enerzijds was er de dringende oproep om terreinen in kaart te brengen waar de brandweer in het verleden grote blusactiviteiten met fluorhoudend blusschuim heeft gehouden. Anderzijds was er de vraag om de beschikbare informatie over sites van bedrijven waar mogelijk PFAS in het productieproces werden gebruikt, door te geven.
In augustus 2021 is OVAM gestart met het stelselmatig uitvoeren van verkennende bodemonderzoeken in opdracht van OVAM op brandweer gerelateerde sites omdat er ingeschat werd dat hier de hoogste kans was op bodemverontreiniging.
Indien er op basis van het verkennend bodemonderzoek verder bodemonderzoek noodzakelijk is, maant de OVAM de saneringsplichtige aan tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en informeert ze het lokale bestuur over deze conclusies.
De termijn van de facturen voor vier jaar werd berekend op basis van het verschil tussen de geschatte inwerkingtreding van de voorgestelde cofinancieringsregeling (1 februari 2025) en de eerste aanmaning verstuurd door de OVAM met betrekking tot een beschrijvend bodemonderzoek al gevolg van brandbestrijding en brandblusoefeningen (21 september 2021).
Onderafdeling IV. Percentage van de cofinanciering
Het uiteindelijke bedrag van cofinanciering dat toegekend wordt, wordt mede bepaald door het toepassen van een percentage op de in aanmerking komende kosten. Het percentage van de cofinanciering wordt gedifferentieerd in functie van het feit of de begunstigde al dan niet een onderneming is. Ook werd de onbillijkheid mede in acht genomen bij het opstellen van de percentages per categorie. Er wordt bij de inwerkingtreding van de cofinancieringsregeling gekozen voor volgende percentages:
- Voor ondernemingen: 35% van de subsidiabele kosten met een maximum van 300.000 EUR;
- Voor niet-ondernemingen andere dan natuurlijke personen: 50% van de subsidiabele kosten;
- Voor niet-ondernemingen natuurlijke personen: 95% van de subsidiabele kosten (waarbij er een maximum bijdrage van de natuurlijke personen wordt gehanteerd van 500 EUR).
Dit wordt geregeld in het ontworpen artikel 54/15/5 van het VLAREBO.
Onderafdeling V. Maximaal bedrag van de cofinanciering
Het ontworpen artikel 54/15/6 van het VLAREBO heeft tot bedoeling om in lijn te zijn met de aanpassing van het maximaal uit te keren bedrag, zoals opgenomen in de aangepaste de-minimiswetgeving op Europees niveau. Het gecumuleerde bedrag van de cofinanciering voor een beschrijvend bodemonderzoek dat toegekend wordt aan een begunstigde, kan dan niet meer dan 300.000 euro bedragen.
Onderafdeling VI. Procedure voor de aanvraag en de toekenning van cofinanciering
Een cofinancieringsaanvraag moet elektronisch worden ingediend bij de OVAM. De aanvraag moet worden ingediend met een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend aanvraagformulier voor cofinanciering. De bevoegdheid tot het vastleggen van het model van dit aanvraagformulier wordt gedelegeerd aan de administrateur-generaal van de OVAM en voorziet in de opvraging van minstens volgende gegevens:
- de ligging van de grond;
- een aan de OVAM tegenstelbare akte waaruit blijkt dat de aanvrager van de cofinanciering exploitant, gebruiker of eigenaar is van de grond;
- voor de cofinanciering van kosten als vermeld in artikel 54/15/4, 1°, en 2°, a): een kopie van de facturen voor de kosten voor het beschrijvend bodemonderzoek. De facturen worden opgenomen in een rekeningstaat, en een gedetailleerde vorderingsstaat en een betalingsbewijs worden bijgevoegd. De administrateur-generaal van de OVAM kan een model van vorderings- en rekeningstaat vastleggen, en vormvereisten voor de facturen opleggen.
Daarnaast kunnen er maximaal twee aanvragen ingediend worden bij de OVAM per beschrijvend bodemonderzoek. Een cofinancieringsaanvraag die niet voldoet aan de vereisten (zoals hierboven vermeld) is niet ontvankelijk.
Bij ontvangst van de cofinancieringsaanvraag onderzoekt de OVAM de ontvankelijkheid. Als de OVAM oordeelt dat de aanvraag ontvankelijk is, neemt de administrateur-generaal van de OVAM een beslissing over de aanvraag tot cofinanciering. Er wordt in het ontwerp van besluit ter zake geen reglementaire termijn vastgelegd waarbinnen de beslissing moet worden genomen (zie wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de interne beleidslijn indien aanvraag tegelijk wordt ingediend met bodemsaneringsproject dat ter conform verklaring wordt voorgelegd).
De cofinancieringsbeslissing van kosten als vermeld in artikel 54/15/4, 1° en 2°, a) dient het bedrag te bevatten van de cofinanciering. Het uit te betalen bedrag van de cofinanciering wordt berekend door het toepasselijke percentage (35% voor ondernemingen, 50% voor niet-ondernemingen andere dan natuurlijke personen en 95% voor niet-ondernemingen natuurlijke personen met een maximaal eigen bijdrage van 500€, te vermenigvuldigen met de kosten die in aanmerking komen voor cofinanciering en die opgenomen zijn in de facturen die beantwoorden aan de vereisten.
De cofinancieringsbeslissing van kosten als vermeld in artikel 54/15/4, 2°, b) moet minimum volgende elementen bevatten:
- het percentage van de cofinanciering (95% voor niet-ondernemingen natuurlijke personen) en de maximale eigen bijdrage van de begunstigde dat van toepassing is (maximum 500 EUR);
- de voorwaarde dat het beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige aangesteld door de OVAM conform de wetgeving overheidsopdrachten.
Onderafdeling VII. Terugvordering
Het ontworpen artikel 54/15/9 van het VLAREBO bepaalt dat naast de gevallen van verplichte terugvordering, vermeld in artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, de OVAM reeds uitbetaalde cofinanciering ook geheel of gedeeltelijk kan terugvorderen als de toekenning ervan gebaseerd is op foutieve of onvolledige gegevens, ongeacht of deze gegevens bewust (fraude) of onbewust (onachtzaamheid) foutief zijn overgemaakt. Indien het beschrijvend bodemonderzoek niet uitgevoerd werd conform de bepalingen van het Bodemdecreet of indien de voorwaarden van de cofinancieringsbeslissing niet worden nageleefd kan eveneens worden overgegaan tot terugvordering. In geval van terugvordering wordt de Europese referentievoet voor terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun toegepast.
Artikel 14. Uitzondering geen nieuw oriënterend bodemonderzoek – brandblusoefeningen met PFAS-houdend brandblusschuim
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de Vlaamse Regering in het VLAREBO-besluit (art. 21, eerste lid, 3°) de uitvoering van brandblusoefeningen met PFAS-houdend blusschuim als risico-inrichting gekwalificeerd. Deze bepaling is op 12 februari 2024 in werking getreden.
Onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS in grondwater, bodem en waterbodem in Vlaanderen heeft immers uitgewezen dat onder meer brandblusoefenterreinen locaties zijn met een verhoogd risico op de aanwezigheid van PFAS-verontreiniging. De kwalificatie als risico-inrichting brengt van rechtswege de verplichting met zich voor de overdrager om voorafgaand aan de overdracht van een grond waarop dergelijke risico-inrichting aanwezig is of was een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren en het verslag ervan aan de OVAM te bezorgen. Op die manier kan een eventueel aanwezige PFAS-verontreiniging gedetecteerd worden en kan worden bepaald of verdere maatregelen noodzakelijk zijn.
Het VLAREBO-besluit (artikel 64, §1) voorziet in een aantal gevallen waarbij de overdrager niet de verplichting heeft om voor de overdracht van een risicogrond een nieuw oriënterend bodemonderzoek uit te voeren als er voor de grond in kwestie al eerder een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM werd ingediend. Zo onder meer in het geval dat sedert de datum van de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek op de te onderzoeken grond geen risico-inrichting gevestigd is of was.
De recente kwalificatie van de uitvoering van brandblusoefeningen met PFAS-houdend blusschuim als risico-inrichting maakt een afstemming met deze uitzonderingsregeling noodzakelijk. Er zijn immers risicogronden waar een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM werd ingediend voor 12 februari 2024 en waar brandblusoefeningen met PFAS-houdend blusschuim werden gehouden voor de datum van het verslag van voormeld bodemonderzoek waarbij de eventuele aanwezigheid op de grond van PFAS-verontreiniging ingevolge de brandblusoefeningen in dit oriënterend bodemonderzoek niet werd onderzocht. In toepassing van de huidige regeling van artikel 64, §1, VLAREBO zou de overdracht kunnen plaatsvinden en heeft de overdrager geen verplichting om voorafgaand een nieuw oriënterend bodemonderzoek uit te voeren. Sedert de datum van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek is er immers geen risico-inrichting (o.a. geen brandblusoefening met PFAS-houdend blusschuim) meer op de grond geweest. Deze uitzonderingsregeling is evenwel moeilijk te verantwoorden in het licht van het verhoogde risico van de aanwezigheid van PFAS-verontreiniging als gevolg van de brandblusoefeningen met PFAS-houdend blusschuim. Vandaar dat met voorliggende wijzigingsbepaling de uitzonderingsregeling van artikel 64, §1, VLAREBO wordt aangepast in die zin dat toch een nieuw oriënterend bodemonderzoek voor de overdracht van de risicogrond moet worden uitgevoerd als voor de datum van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek op de over te dragen grond brandblusoefeningen werden gehouden waarbij PFAS-houdend blusschuim gebruikt werd.
Artikel 15. Kennisgeving van bodemsaneringsproject in geval van onroerend goed dat valt onder gedwongen mede-eigendom
In artikel 81, derde lid, van het VLAREBO wordt wat betreft de gedwongen mede-eigendom nog verwezen naar artikel 577-3 van het burgerlijk wetboek. Als gevolg van het nieuw burgerlijk wetboek klopt deze verwijzing niet langer. Met voorliggende wijzigingsbepaling wordt de verwijzing gecorrigeerd.
Artikel 16. Project-m.e.r.-screeningnota in kader van beperkt bodemsaneringsproject
Dit artikel heeft tot doel om een correctie door te voeren in de opsomming van de inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject, meer bepaald in artikel 91, 4°, van het VLAREBO waarin verkeerdelijk wordt verwezen naar project-MER en omgevingsveiligheidsrapport.
Artikel 56 van het Bodemdecreet omschrijft het toepassingsgebied van het beperkt bodemsaneringsproject. De bepaling geeft aan wanneer een beperkt bodemsaneringsproject kan worden opgesteld in plaats van het reguliere bodemsaneringsproject: ‘Als bodemverontreiniging kan worden behandeld door bodemsaneringswerken die maximaal honderdtachtig dagen in beslag nemen en slechts een beperkte impact hebben op mens en milieu, kan in plaats van een bodemsaneringsproject een beperkt bodemsaneringsproject worden opgesteld, op voorwaarde dat de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren zich schriftelijk akkoord verklaren met de uitvoering van de bodemsaneringswerken. De beperkte impact kan nader omschreven worden in de standaardprocedure, vermeld in artikelen 57 en 47, § 2 (Bodemdecreet).’ .
Als de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of het veranderen van een inrichting impliceert waarvoor krachtens de geldende wetgeving een omgevingsveiligheidsrapport vereist is, geldt per definitie de vaststelling dat de bodemsaneringswerken niet slechts een beperkte impact op mens en milieu hebben (standaardprocedure voor het bodemsaneringsproject en beperkt bodemsaneringsproject) en dat bijgevolg de bodemsaneringswerken niet binnen het toepassingsgebied van een beperkt bodemsaneringsproject vallen en dus een regulier bodemsaneringsproject moet worden opgemaakt. Hetzelfde geldt als op basis van de eventueel op te stellen project-m.e.r.-screeningnota wordt beslist dat een project-MER noodzakelijk is.
Als dergelijke bodemsaneringswerken zouden worden uitgewerkt in een beperkt bodemsaneringsproject dat vervolgens bij de OVAM wordt ingediend, zal de OVAM besluiten tot niet-ontvankelijkheid conform artikel 92, 3°, van het VLAREBO-besluit.
De verwijzing in het huidige artikel 91, 4°, van het VLAREBO-besluit (inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject) naar de begrippen ‘project-MER’ en ‘omgevingsveiligheidsrapport’ kan verkeerdelijk de perceptie doen ontstaan dat ook in de gevallen dat de bodemsaneringswerken een omgevingsveiligheidsrapport of een project-MER vereisen het instrument van het beperkt bodemsaneringsproject kan worden gebruikt. De aanpassing van de formulering van voormelde bepaling middels artikel 16 van het ontwerp beoogt op dat vlak enig misverstand uit te sluiten.
Artikel 17. Plaatsbeschrijving – landmeter-expert
Met deze wijzigingsbepaling wordt in artikel 104 van het VLAREBO de benaming van een beroepsgroep gecorrigeerd, meer bepaald de vervanging van de benaming “beëdigd landmeter” door “landmeter-expert”.
Artikel 18. Erkende personen bodemsaneringsorganisaties
Dit artikel wijzigt een achterhaalde verwijzing in artikel 126, 1°, van het VLAREBO, meer bepaald wordt de verwijzing naar de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen vervangen door een verwijzing naar het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
Artikel 19-20. Subsidiëring van een bodemsaneringsorganisaties
Een erkende bodemsaneringsorganisatie die overeenkomstig artikel 98 van het Bodemdecreet een subsidie wenst van de Vlaamse Regering moet hiervoor in de eerste plaats minimaal vijfjaarlijks een voorstel van subsidiëringsprogramma bezorgen aan de Vlaamse Regering. Als de Vlaamse Regering dit subsidiëringsprogramma goedkeurt kan de erkende bodemsaneringsorganisatie voor het vaststellen en uitkeren van deze jaarlijkse subsidie een jaarlijkse aanvraag tot subsidiëring indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de minister bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid.
De voorgestelde wijzigingen hebben tot doel om de procedure voor het indienen en behandelen van de jaarlijkse aanvraag tot subsidiering eenvoudiger, efficiënter en helderder te maken. Zo is voorzien dat de jaarlijkse aanvraag tot subsidiering steeds voor 31 maart van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft ingediend moet worden. Momenteel moet de jaarlijkse aanvraag tot subsidiëring minimaal 9 maanden en in sommige gevallen theoretisch zelfs 18 maanden voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, ingediend worden.
Momenteel is in het VLAREBO voorzien dat de Vlaamse Regering uiterlijk op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft zich uitspreekt over de jaarlijkse aanvraag tot subsidiering. Omdat op dat moment onder meer de begroting voor het jaar waarop de subsidie betrekking heeft zelfs nog niet behandeld is in het Vlaamse Parlement was deze bepaling een dode letter. Met de voorliggende wijziging is voorzien dat de Vlaamse Regering uiterlijk op 30 november van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft zich uitspreekt over deze subsidie, dit rekening houdend met haar besluit over het vigerende voorstel van subsidiëringsprogramma en de beschikbare begrotingskredieten.
Deze wijziging laat eveneens toe aan de Inspectie van Financiën om op basis van de meest recente gegevens een advies uit te brengen aangaande de ingediende jaarlijkse aanvraag tot subsidiëring.
De eerste wijziging van artikel 19 van dit ontwerp van besluit betreft de vervanging van het woord “bijdrage” door het woord “subsidie” in artikel 135, tweede lid van het VLAREBO-besluit. Het gaat om een correctie van de oorspronkelijke tekst waarbij per vergissing het woord “bijdrage” in plaats van “subsidie” werd opgenomen. De betreffende bepaling gaat immers over de financiële ondersteuning die de Vlaamse Regering aan de erkende bodemsaneringsorganisaties verleent. De term ‘bijdrage’ in de zin van artikel 134, eerste lid van het VLAREBO-besluit heeft betrekking op het bedrag dat de bodemsaneringsorganisatie van een saneringsplichtige persoon ontvangt op basis van de overeenkomst die die saneringsplichtige persoon conform artikel 97 van het Bodemdecreet kan afsluiten met de bodemsaneringsorganisatie.
De verdere aanpassingen van artikel 135 van het VLAREBO-besluit met artikel 19 van het ontwerp van besluit maken het mogelijk dat de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat ze haar erkenning aanvraagt een aanvraag tot startsubsidiëring van haar werking in dat jaar kan indienen. Dit geldt ook in het geval de Vlaamse Regering nog geen beslissing heeft genomen over het eerste voorstel van subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 135, eerste lid, van het VLAREBO-besluit.
Artikel 20 van het ontwerp van besluit beoogt de procedure voor de indiening en de behandeling van de jaarlijkse aanvraag tot subsidiering van de erkende bodemsaneringsorganisaties door de Vlaamse Regering eenvoudiger, efficiënter en helderder te maken middels aanpassing van artikel 139, eerste en vijfde lid, van het VLAREBO-besluit.
Er wordt voorzien dat een erkende bodemsaneringsorganisatie de jaarlijkse aanvraag tot subsidiering steeds voor 31 maart van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft moet indienen. De Vlaamse Regering neemt uiterlijk op 30 november van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft een beslissing over de aanvraag tot subsidiering waarbij ze rekening houdt met het vigerende besluit over het voorstel van subsidiëringsprogramma en de beschikbare begrotingskredieten.
Artikel 21: Grondverzet - meldingsprocedure voor de werken waarvoor geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden - verwijzingsfout
Artikel 200 van het VLAREBO-besluit verwijst verkeerdelijk naar artikel 173/1, §2, van het VLAREBO-besluit in plaats van naar artikel 173/1, §1, tweede lid. Dit wordt gecorrigeerd met de voorgestelde wijzigingsbepaling.
Artikel 22 Erkende personen in kader van grondverzet – vzw
Met deze wijzigingsbepaling wordt in artikel 202, eerste lid, 1°, van het VLAREBO de achterhaalde verwijzing naar de wet van 27 juni 1921 (vzw-wet) gecorrigeerd.
Artikel 23. Retributie bodemattest
Deze wijziging betreft een administratieve vereenvoudiging. Het schrapt de bepaling (art. 217, tweede lid VLAREBO) die voorziet dat uiterlijk op 1 januari het aangepaste bedrag van de retributie ten gevolge van de indexering door de minister wordt bekendgemaakt.
Artikel 24. Specifieke informatie
Met deze bepaling wordt een verwijzingsfout in artikel 218, §1, van het VLAREBO gecorrigeerd, meer bepaald de verwijzing naar artikel 19 van het VLAREBO in plaats van artikel 20.
Artikel 25-30. Opheffing overgangsbepalingen
Deze bepalingen voorzien in de opheffing van een aantal artikelen in het huidige VLAREBO (art. 229 tot en met 233 en 235) die de overgang van het VLAREBO-besluit van 5 maart 1996 naar het nieuwe VLAREBO-besluit van 14 december 2007 regelen die niet langer relevant zijn.
Artikel 31. Milieu-inbreuk - plaatsbeschrijving
Met deze wijzigingsbepaling worden de woorden “beëdigd landmeter” vervangen door de woorden “landmeter-expert”. Dit is eveneens te zien als een correctie daar dit de juiste benaming is voor deze beroepsgroep. Deze wijziging vloeit voort uit de aanpassing van artikel 104 van het VLAREBO-besluit.
Artikel 32. Milieu-inbreuk – erkende laboratoria in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering - het WAC
Zie de toelichting bij artikel 36 en 37 van dit wijzigingsbesluit.
Artikel 33. Erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering – Uitvoering analyses op bodem ter uitvoering van uitvoeringsbesluiten van het Bodemdecreeet
Het huidige artikel 6, 5°, f), van het VLAREL van 19 november 2010 voorziet in een erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, onder meer voor het uitvoeren van analyses op bodem in het kader van het Bodemdecreet en het VLAREBO.
De bodemwetgeving voorziet evenwel naast het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 nog in andere uitvoeringsbesluiten van het Bodemdecreet op basis waarvan analyses op bodem worden uitgevoerd, zoals het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023 tot vaststelling van een tijdelijk handelingskader voor het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen, en voor de invulling van het saneringscriterium, vermeld in artikel 19, §1 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor PFAS-houdende bodem. Met voorliggende wijzigingsbepaling worden ook de analyses op bodem in het kader van die andere uitvoeringsbesluiten gevat in de erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein, bodemsanering.
Artikel 34 en 35. Erkenningsvoorwaarden voor bodemsaneringsdeskundige – kwaliteitsverantwoordelijke
De voorgestelde wijzigingsbepalingen voorzien in een bijkomende voorwaarde voor de erkenning als bodemsaneringsdeskundige (type 1 en type 2), meer bepaald moet de bodemsaneringsdeskundige om erkend te worden beschikken over een kwaliteitsverantwoordelijke met minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging. Beschikken over moet hier begrepen worden in de zin van artikel 4, §2, van het VLAREL. Dit betekent dat de erkende bodemsaneringsdeskundige (natuurlijk persoon) zelf fungeert als kwaliteitsverantwoordelijke, dan wel dat hij een kwaliteitsverantwoordelijke op continue basis ter beschikking heeft als werknemer (arbeidsovereenkomst) of via een zelfstandige op voorwaarde dat die zijn dienstverlening als kwaliteitsverantwoordelijke maximaal aan 3 bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt.
De kwaliteitsverantwoordelijke treedt voor de erkende bodemsaneringsdeskunde op als algemeen aanspreekpunt over de kwaliteit van de uitvoering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige in het kader van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Verder moet hij onder meer instaan voor de interne kwaliteitscontroles, en voor de opvolging van de audits en de eventuele klachten.
De aanduiding van een specifieke persoon als kwaliteitsverantwoordelijke zorgt ervoor dat de bodemsaneringsdeskundige het overzicht behoudt over de kwalitatieve uitvoering van zijn taken als erkende bodemsaneringsdeskundige, en dat tijdig de eventueel noodzakelijke aanpassingen en bijsturingen gebeuren om de kwalitatieve uitvoering te blijven garanderen.
Artikel 36. Bijzondere gebruikseisen laboratoria in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, en laboratoria in de discipline afvalstoffen en andere materialen – het WAC
Artikel 45, §1, eerste lid, 5° van het VLAREL bepaalt als bijzondere gebruikseis voor een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, dat voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is de methoden van het compendium voor monsterneming en analyse in het kader van het materialendecreet en het bodemdecreet (CMA) moeten worden toegepast.
Met voorliggende wijzigingsbepaling wordt de toepassing van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water (WAC) hieraan toegevoegd. Zie onder meer WAC/IV/A/025 met beschrijving van de analysemethode die gebruikt moet worden voor het bepalen van PFAS in onder meer het grondwater.
Ook voor de erkende laboratoria in de discipline afvalstoffen en andere materialen is het WAC relevant. Voor de monstername en analyses op afvalstoffen/grondstoffen wordt weliswaar standaard naar het CMA verwezen, maar voor waterige afvalstoffen, namelijk bodemverbeterende middelen <2% ds, moet de analyse voor bepaalde parameters (PAK, minerale olie, PCB, chloorbenzeen) volgens WAC worden uitgevoerd.
De betreffende bijzondere gebruikseis wordt gekwalificeerd als een milieu-inbreuk in de zin van artikel 16.1.2, 1° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM). De aanvulling van de bijzondere gebruikseis impliceert dan ook dat bijlage XXIII van het voormelde besluit wordt aangepast. Dit gebeurt met artikel 31 van het voorliggende wijzigingsbesluit.
Artikel 37. Bijzondere gebruikseisen bodemsaneringsdeskundige – het WAC – kwaliteitsborging
Als bijzondere eis voor het gebruik van de erkenning geldt dat de bodemsaneringsdeskundige ervoor moet zorgen dat alle monsters die het kader van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten genomen zijn overeenkomstig het CMA worden geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering (art. 53/3, §1, 1° VLAREL). Aangezien voor de analyse van monsters van grondwater in het kader van de bodemwetgeving ook de analysemethodes van het WAC van toepassing kunnen zijn, wordt met voorliggende wijzigingsbepaling de bijzondere gebruikseis voor de erkende bodemsaneringsdeskundige aangepast in die zin dat hij erop moet toezien dat in voorkomend geval de analyse van de monsters van het grondwater gebeurt conform de analysemethode van het WAC.
Hetzelfde geldt voor de bijzondere gebruikseis die voorschrijft dat de bodemsaneringsdeskundige erop toeziet dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA (art. 53/3, §1, 2° VLAREL). Met de voorgestelde wijziging wordt in deze bijzondere gebruikseis ook een uitdrukkelijke verwijzing naar het WAC opgenomen.
De bestaande bijzondere gebruikseis voor bodemsaneringsdeskundigen over het kwaliteitshandboek (art. 53/3, §1, 8° VLAREL) wordt met voorliggende wijzigingsbepaling aangevuld in die zin dat het kwaliteitsboek ook een omschrijving van de taken van de kwaliteitsverantwoordelijke moet bevatten, zoals onder andere optreden als algemeen aanspreekpunt over de kwaliteit van de uitvoering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige in het kader van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Aangezien de voormelde bijzondere gebruikseisen voor de erkende bodemsaneringsdeskundige worden gekwalificeerd als milieu-inbreuk in de zin van artikel 16.1.2, 1° DABM en dan ook aldus zijn opgelijst in bijlage XXIII van het besluit van 12 december 2008 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI DABM, moet ingevolge de wijziging van de betreffende gebruikseisen ook bijlage XXIII van voormeld besluit worden aangepast.
Artikel 38. Onverenigbaarheidsregeling bodemsaneringsdeskundigen
De huidige regeling van het VLAREL voorziet in een onverenigbaarheidsregeling voor de erkende bodemsaneringsdeskundige. Overeenkomstig artikel 53/5 van het VLAREL kan de bodemsaneringsdeskundige geen gebruik maken van zijn erkenning als de objectieve en onafhankelijke uitvoering van de dienstverlening ten aanzien van de opdrachtgever of de uitvoerder van de bodemsaneringswerken niet kan worden gewaarborgd. De beoordeling of de objectieve en onafhankelijke uitvoering van een dienstverlening kan worden gewaarborgd, gebeurt door de bodemsaneringsdeskundige volgens de werkwijze, opgenomen in de standaardprocedures.
Naast het gegeven dat de bodemsaneringsdeskundige kan optreden bij bodemsaneringswerken zijn in het Bodemdecreet ook taken voorzien voor de deskundige bij de andere maatregelen zoals beschreven in hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet. Het gaat hierbij o.m. over voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen of schadegevallen. Het spreekt voor zich dat ook voor die specifieke taken van de erkende bodemsaneringsdeskundige de onverenigbaarheidsregeling van het VLAREL ook van toepassing moet zijn. Met de voorliggende wijzigingsbepaling wordt artikel 53/5, §1, tweede lid, van het VLAREL aangepast in die zin dat hierover geen onduidelijkheid meer kan bestaan.
Artikel 39. Aanvullende opleiding erkende bodemsaneringsdeskundigen
In het Bodemdecreet is sedert april 2019 een regeling opgenomen voor het onderzoek en de sanering van bodemverontreiniging door gasolietanks die aangemeld zijn bij het bodemsaneringsfonds Promaz (art. 82bis tot en met 82duodecies Bodemdecreet).
Die regeling voorziet in een specifiek bodemonderzoek (het gasolietankgerelateerd bodemonderzoek) en een bijzondere wijze van behandeling van de gasolietankgerelateerde bodemverontreiniging. Ze worden onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige uitgevoerd conform een standaardprocedure die op voorstel van de OVAM door de vlaamse Regering, bij delegatie de minister van Omgeving, wordt vastgesteld. Het VLAREL voorziet als erkenningsvoorwaarde voor de bodemsaneringsdeskundigen dat ze moeten beschikken over een getuigschrift van de aanvullende vorming voor erkend bodemsaneringsdeskundigen dat door een erkend opleidingscentrum is afgeleverd.
Het opleidingspakket van de aanvullende vorming van bodemsaneringsdeskundigen is opgenomen in bijlage 17 van het VLAREL. Met voorliggende wijzigingsbepaling wordt het opleidingspakket van de aanvullende vorming voor erkende bodemsaneringsdeskundigen van type 2 aangevuld met de standaardprocedure voor gasolietankgerelateerd bodemonderzoek en de standaardprocedure voor maatregelen tot behandeling van gasolietankgerelateerde bodemverontreiniging.
Artikel 40. Inwerkingtredingsbepaling
Artikel 5 en 13 treden in werking op 1 februari 2025.
Artikel 41. Uitvoeringsbepaling
De minister van Omgeving wordt gelast met de uitvoering van dit besluit.