Besluit van de Vlaamse Regering
15 nov. 2024· Belgisch Staatsblad 16 dec. 2024· numac 2024011352Besluit van de Vlaamse Regering tot verlening van een opsporingsvergunning voor aardwarmte in de regio Bredene aan S&R Bredene nv
Officiële tekst in de Vlaamse CodexAanhef
Rechtsgrond(en)
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond (DDO), artikel 63/1, §1, ingevoegd bij het decreet van 25 maart 2016, artikel 63/7, §4, ingevoegd bij het decreet van 25 maart 2016, artikel 63/15, ingevoegd bij het decreet van 25 maart 2016.
Vormvereiste(n)
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- de uitnodiging om aanvragen in te dienen voor een soortgelijke vergunning voor het opsporen van aardwarmte voor hetzelfde volumegebied werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 2 mei 2024.
- de Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 7 november 2024.
Motivering
Dit besluit is gebaseerd op volgende motieven:
Op 5 februari 2024 diende S&R Bredene nv, hierna “de aanvrager” genoemd, een aanvraag in voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte in de regio Bredene, aangevuld op 11 maart en volledig bevonden op 15 maart 2024.
Overeenkomstig artikel 63/2 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, werd op 2 mei 2024 een oproep voor het indienen van aanvragen voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte voor het betreffende volumegebied door andere belangstellenden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Op 10 juni 2024 werden nog enkele bijkomende inlichtingen verstrekt door de aanvrager.
Binnen de mededingingstermijn van negentig dagen na publicatie van de oproep tot mededinging werd geen vergunningsaanvraag ingediend.
Weigeringsgronden conform artikel 63/5 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond
- Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de opsporing of de winning van aardwarmte binnen het volumegebied waarvoor de vergunning zal gelden, niet op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Ook slaat de aanvraag niet op een volumegebied waarvoor reeds een vergunning voor aardwarmte is verleend of op een volumegebied waarvoor reeds een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag is verleend. De aanvraag slaat niet op een volumegebied dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of winning van aardwarmte. Aldus is er geen enkele van de verplichte weigeringsgronden, vermeld in artikel 63/5, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, van toepassing op de vergunningsaanvraag.
- De aanvraag slaat niet op een volumegebied waarvoor al een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen, een opslagvergunning voor koolstofdioxide, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas is verleend. Er is dus geen enkele van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 63/5, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, van toepassing op de vergunningsaanvraag.
Beoordelingscriteria conform artikel 63/6 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond
- De aanvrager heeft voldoende aangetoond deels via de moedermaatschappij over de nodige technische mogelijkheden te beschikken en hoe hij zich verder voorneemt, onder meer door samenwerking met derde partijen, de nodige technische middelen te verwerven om de voorgenomen opsporingsactiviteiten te verrichten. De aanvrager kan via de moedermaatschappij voorzien in experten inzake bouw, hvac, elektra, zwembadtechnieken en exploitatie alsook een team van architecten, technische ingenieurs en facility-managers. Daarnaast zal hij de nodige expertise in verband met geologie, het geothermische NotusPid-enkelgatsysteem, diepe boringen en boorgatmetingen voorzien door externe experten en dienstverleners in te brengen in het projectteam. De aanvrager zal een gecertificeerde boorfirma selecteren en voorziet in een onafhankelijke boortoezichter tijdens de boor- en werffase. Enkele van deze externe partijen waren reeds betrokken bij de opmaak van de vergunningsaanvraag, de aanvrager is dus in staat om op redelijke termijn een performant projectteam samen te stellen. De bewijsstukken van de technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken voor het uitvoeren van de opsporingsactiviteiten dienen voor de start van de boring te worden voorgelegd aan de minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen. De minister stuurt binnen een termijn van dertig dagen na indiening van de bewijsstukken haar instemming, waarna de boring uitgevoerd kan worden, mits naleving van alle toepasselijke regelgeving en vergunningsplichten.
- De financiële middelen voor het uitvoeren van de voorziene opsporingsactiviteiten worden verzekerd door een lening van een grootbank alsook een herziening van de gemeente Bredene die de aanvrager reeds verkregen heeft in kader van het totale bouwproject. Specifiek voor het onderdeel betreffende aardwarmte werd nog een bijkomende subsidie aangevraagd. De bewijsstukken van de financiële middelen waarover de aanvrager kan beschikken voor het uitvoeren van de opsporingsactiviteiten dienen voor de start van de boring te worden voorgelegd aan de minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen. De minister stuurt binnen een termijn van dertig dagen na indiening van de bewijsstukken haar instemming, waarna de boring uitgevoerd kan worden, mits naleving van alle toepasselijke regelgeving en vergunningsplichten.
- De manier waarop de aanvrager zich voorneemt de opsporingsactiviteiten te verrichten beantwoordt aan een verantwoorde opsporing van aardwarmte. Het project beoogt aardwarmte op te sporen in het Brabantmassief. Er zal één verticale boring worden uitgevoerd, met een voorlopige einddiepte voorzien op 1250 m. Het voorlopig boorontwerp toegevoegd aan de aanvraag is degelijk opgebouwd en houdt rekening met de lithologie die men verwacht aan te treffen op de projectlocatie en het beschermen van de ondiepe aquifersystemen. De aanvrager wordt verwacht het boren van de boring aan te vangen uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de opsporingsvergunning. Tijdens het boren zullen boorgatmetingen uitgevoerd worden om het gesteente te karakteriseren. Op basis van deze resultaten wordt de finale diepte van de verbuizing en de einddiepte van het boorgat bepaald. De aanvrager wordt verwacht tijdens de boorfase nauwgezet te rapporteren aan de afdeling bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen van het Departement Omgeving, specifiek met betrekking tot de finale einddiepte van de verbuizing en de integriteit van de onderste, open sectie van de boring. Vóór de installatie van de verbuizing (2de sectie) en het NotusPid-systeem bezorgt de aanvrager telkens een korte nota waarin respectievelijk 1) de kwaliteit van de conductor pipe en cementatie (1ste sectie) bevestigd wordt en aangetoond wordt dat de verbuizing voldoende diep ingebouwd zal worden, nl. 25 m onder de gesteentelagen met gespleten karakter (top van het Brabantmassief) en 2) de kwaliteit van de verbuizing en cementatie (2de sectie) bevestigd wordt en aangetoond wordt dat er zich geen bijkomende opgebroken of gespleten gesteente-intervallen bevinden in de onderste, open sectie van het boorgat. De verbuizing en het NotusPid-systeem mogen slechts geïnstalleerd worden na onderling overleg met de afdeling bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen van het Departement Omgeving. Er worden geen aanvullende pomp-of injectietesten voorzien. De aanvrager voorziet wel drie testen, van telkens één jaar, om de performantie van het warmtereservoir te evalueren en de operationele parameters te optimaliseren. Het testprogramma zal met voortschrijdend inzicht worden opgemaakt en wordt gerapporteerd door middel van de jaarrapportage. Op basis van de gegevens verkregen uit de testperiodes plant de aanvrager een winningsplan en winningsvergunningaanvraag op te maken. Het voorgestelde plan van aanpak is logisch opgebouwd, praktisch uitvoerbaar en grondig voorbereid rekening houdend met de beschikbare geologische kennis.
- De aanvrager heeft in het verleden geen blijk gegeven van een gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin in het kader van eerdere vergunningen of activiteiten.
- De aanvrager heeft de reeds beschikbare geologische kennis over het aangevraagd volumegebied, voornamelijk op basis van naburige boringen, bestaande kaarten en literatuurgegevens, in overweging genomen voor dit project. Specifiek wordt de geologische kennis aangewend om het te verwachten thermisch vermogen te bepalen, een voorlopig boorontwerp op te stellen en de invloed van het project in de diepe ondergrond in te schatten. De aanvrager heeft aangetoond dat de geologische expertise aanwezig is in het projectteam.
- Er wordt geen hinderlijke invloed verwacht door de voorgenomen opsporingsactiviteiten op andere activiteiten in de diepe ondergrond die al vergund zijn, enerzijds omdat er geen naburige (< 10 km) activiteiten in de diepe ondergrond vergund zijn, anderzijds omdat de opsporingsactiviteiten slechts een zeer beperkte temperatuur- en drukwijziging in de diepe ondergrond zullen veroorzaken daar het enkelgatsysteem als een gesloten systeem zal functioneren.
- Het aanvraagdossier bevat voldoende informatie over de mogelijke impact van de geplande activiteiten op het milieu en over de middelen die zullen worden aangewend om die impact tot een minimum te beperken. Een opsporingsvergunning in het kader van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond is gericht op het verlenen van een exclusief recht voor het opsporen in een bepaald gebied en voor een bepaalde duur, en is dus in essentie economisch van aard. De milieuimpact wordt uitvoerig en grondig getoetst in het kader van het MER en de omgevingsvergunning. Op 22 augustus 2024 werd aan de aanvrager een omgevingsvergunning verleend voor dit project. De vermelding van milieuaspecten bij de vergunningscriteria in artikel 63/6, 6° van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond slaat op manifeste risico’s met betrekking tot boren en testen zoals het boorrisico, de kans op het aantreffen van gas, het risico geassocieerd met natuurlijk voorkomend radioactief materiaal en het seismiciteitsrisico die mogelijks tot een weigering zouden nopen. Het voorlopig ontwerp van de boring houdt rekening met de lokale geologie en de bescherming van de grondwaterlagen, en waarborgt de stabiliteit van het boorgat door het werken met een boormodder met aangepaste densiteit en het aanbrengen van een verbuizing tot voorbij de gespleten top van het Massief van Brabant. Ook het ingebouwde NotusPid-enkelgatsysteem draagt bij aan de langdurige stabiliteit van het boorgat. Indien een (breuk)zone met gespleten, watervoerend gesteente aangetroffen wordt in de onderste, open sectie van het boorgat, moet de aanvrager een bijkomende verbuizing voorzien om deze zone af te sluiten van het boorgat. De kans op het aantreffen van opgelost of vrij gas bij het doorboren van de diepere lagen in dit project wordt ingeschat als klein op basis van de lithologie van de aangeboorde gesteenten. Ook het risico met betrekking tot natuurlijk voorkomend radioactief materiaal is in te schatten als laag gebaseerd op metingen van een naburig boorgat en omdat geen formatiewater wordt geproduceerd. Het risico op seismiciteit kan uitgesloten worden aangezien er slechts zeer beperkte druk- of temperatuurveranderingen geïnduceerd zullen worden. De verwachte milieuimpact van de geplande activiteiten is voldoende onderbouwd voor wat betreft het criterium in artikel 63/6, 6°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat de activiteiten op een milieutechnisch verantwoorde wijze kunnen plaatsvinden.
- De afbakening van het gevraagde volumegebied in de laterale zin werd opgesteld op basis van een thermodynamische modellering. Meer specifiek werd deze vastgelegd op basis van de worst-case’-inschatting, i.e. de meest ruime afstand waarop nog een temperatuurdaling van 0.1 C verwacht kan worden, met daarop nog een ruime veiligheidsmarge. Het vierkant dat deze cirkel omsluit vormt de laterale afbakening van het aangevraagd volumegebied. De begrenzing in verticale zin aan de onderzijde is bepaald in overeenstemming met de einddiepte en
-temperatuur benodigd om te voldoen aan de warmtevraag van de aanvrager op basis van de uitgevoerde simulaties, met daarop een bijkomende marge om de mogelijkheid te behouden de boring dieper te maken indien uit de boorgatmetingen blijkt dat de bereikte temperatuur niet toereikend is. De begrenzing in verticale zin aan de bovenzijde is de meest ondiepe begrenzing toegelaten volgens het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond (-500 mTAW), aangezien er geen warmte gewonnen mag worden uit de diepe ondergrond zonder opsporings- of winningsvergunning zoals vastgelegd in het decreet van 8 mei 2009 betreffende diepe ondergrond. De warmtewinning vindt plaats zodra het teruggepompte water de diepte bereikt waarop de temperatuur van het omgevend gesteente hoger is dan de watertemperatuur. De exacte diepte hiervan kan op dit moment echter nog niet ingeschat worden. Bij een toekomstige aanvraag voor een nieuwe opsporing- of winningsvergunning kan, indien nodig, de afbakening van het volumegebied worden verkleind tot het volume waar werkelijk aardwarmte gewonnen en invloed verwacht wordt. Tot op heden zijn er geen commerciële koolwaterstofreserves aangetroffen in het aangevraagde volumegebied. Het leent zich ook niet evident als koolstofdioxide- of aardgasopslagreservoir.
- De warmte gewonnen worden door de aanvrager in deze fase van het project, i.e. tijdens de testfases, zal meteen aangewend worden voor het verwarmen van het zwembadwater, het sanitair water en de ruimtes van zwembadcentrum. Het ontwerp van het NotusPid-enkelgatsysteem (diepte i.e. productietemperatuur) werd gedimensioneerd op maat van de aanvrager, die een grote en doorheen het jaar constante warmtevraag heeft. De finale diepte zal bepaald worden tijdens de boorfase op basis van de boorgatmetingresultaten. Tijdens de testfases worden ook de operationele parameters (debiet, injectietemperatuur) geoptimaliseerd om aan de dagelijkse piekmomenten te kunnen voldoen zonder de evenwichtssituatie van het systeem te verstoren. Het is duidelijk dat de gewonnen aardwarmte efficiënt en duurzaam aangewend zal worden.
Mogelijkheid tot het stellen van een financiële zekerheid conform artikel 63/15 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond
- De Vlaamse Regering verplicht de vergunninghouder om een financiële zekerheid te stellen voor het veilig afsluiten van het boorgat na het beëindigen of stopzetten van de opsporingsactiviteiten waarvoor deze opsporingsvergunning verleend is.
Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw,
Na beraadslaging,
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: